Verbale scherpschutterij past niet in onze traditie

UTRECHT, 20 JAN. “Me dunkt... ik denk... ik geloof... dat nu, straks...”, hakkelde het Friese Statenlid B. de Vries. Hij was niet de enige. De debating-wedstrijd voor politieke welsprekendheid tussen lokale en provinciale politici maakte gisteren duidelijk dat Nederland nauwelijks een traditie in retorica kent.

“Dat komt omdat wij redeneren in coalitievorming”, legde professor rechtswetenschap W. Witteveen uit. “Je kunt niet al te scherp van leer trekken, want misschien moet je ooit nog eens met die ander samenwerken.” Dat is het verschil met de 'winner takes all'-politiek van de Britten wier retorische gaven wat de professor betreft op eenzame hoogte staan. “Een Engels politicus moet zijn district winnen en hele zalen 'om' zien te krijgen, terwijl Nederlandse politici alleen maar een commissie van een man of vijf hoeven te overtuigen.”

Witteveen was een van de juryleden die de opvolger moest aanwijzen van VVD-fractieleider Bolkestein, de winnaar van de vorige Thorbecke-prijs. Bolkestein zag wel wat in de verklaring van Witteveen: “De Nederlandse politiek is immers gericht op accommodatie.” Maar er is ook een economische reden: “Wij zijn een volkje dat het moet hebben van de handelsgeest. We moeten tot elkaar zien te komen en verbale scherpslijperij past daar niet in.”

Het niveau van de deelnemers was docent spraakvaardigheid en jurylid E. Hermans niet tegengevallen. Hermans zou alleen wat meer geschoolde retorici in de politiek willen zien. “Heus, een klein beetje scholing zou het niveau zo enorm opvoeren”, zei hij bijna zangerig. Politici zouden wat meer naar klassieke, liefst barokke muziek moeten luisteren. Dan kunnen ze horen hoe die muziek de luisteraar probeert te overreden door te spelen met modulatie en intonatie. “Een overtuigend spreker werkt precies hetzelfde. Een politicus zou zijn tekst moeten zien als partituur”, meende Hermans die ook dirigent is. “Dat deed Churchill ook, die gaf accentjes, pauzetjes en kleine intonatieverschillen aan in teksten die hij uit zou spreken.”

Het niveau van Churchill was voor de finalisten nog ver weg. F. Paas, fractievoorzitter van het CDA in Groningen en J. van Zanen (VVD), naar eigen zeggen gemeenteraadslid van de tweede garnituur in Utrecht, dekten zich na afloop flink in voor een eventuele nederlaag. “Het ging eigenlijk nergens over”, vond Paas. “Ik deed mee voor de aardigheid”, zei Van Zanen.

Beiden waren te vermoeid voor de finale en grepen naar het noodmiddel om te scoren: de tackle op de man. Paas beschuldigde zijn tegenstander van 'het niet kennen van de stukken' en 'goedkoop scoren'. Van Zanen bevestigde dit onbedoeld met de mededeling dat zijn broek te strak zat om af te zakken. Beiden pakten hier en daar een puntje, althans als een lachsalvo in de Utrechtse raadszaal daar een bewijs van was, maar de echte knock-out bleef uit.

Het finaledebat kabbelde voort omdat de twee deelnemers merkten dat degene die het laatste woord zou hebben wel eens tot verliezer kon worden uitgeroepen. Want het debat kon - zonder voorzitter - alleen eindigen als de één de ander gelijk zou geven. Het uithoudingsvermogen van Van Zanen bleek uiteindelijk goed voor een bronzen replica van het Thorbecke-standbeeld in Zwolle. “Inhoudelijk was hij niet sterk”, vond juryvoorzitter en Eerste-Kamerlid J. van den Berg, “maar hij bleef tenminste bewegen.” Inderdaad stak de lichaamstaal van de stugge Paas nogal iel af bij het molenwieken en constante verzitten van Van Zanen. “Dat wordt een goed politicus”, zei Van den Berg, “en daarmee een klein beetje een slecht mens.”

    • Robert Giebels