Toen het Alleluja hoogschalmeide

JOZEF VAN HAVER: Voor u, beminde gelovigen. Het Rijke Roomse Leven in Vlaanderen, 1920-'50

295 blz., geïll., Lannoo 1995, ƒ 74,50

Toen ik een kind was - en dat is nog niet zo heel lang geleden - droegen wij 's ochtends aan tafel - we waren met zes en we ontbeten altijd samen - in een speciaal gebed de dag op aan de Heer: Goddelijk Hart van Jezus, ik draag U op door het Onbevlekt Hart van Maria, de gebeden, de werken en het lijden van deze dag, tot herstel van onze tekorten en voor al de intenties waarvoor Gij U onophoudelijk op onze altaren opoffert.

Het lijkt duistere taal, maar mijn ouders begrepen wat dit gebed betekende. In de jaren '70 zetten zij naar geest en inhoud de rijke Roomse traditie in Vlaanderen verder. Zij waren ongetwijfeld verre van de enigen. Anderen hielden misschien meer enkele uiterlijke bakens van het oude religieuze leven vast: een ingelijst gebed in de keuken, een wijwatervaatje, het bidden van de rozenkrans (drie opeenvolgende paternosters, ter bezinning op 15 belangwekkende gebeurtenissen in het leven van Maria). Maar men hield het in de privé-sfeer, onder gelijkgestemden.

Een kwart eeuw eerder was het in Vlaanderen normaal om zijn geloof in het openbaar te uiten, werd de individuele beleving zelfs gedragen door vrijwel collectieve manifestaties. Wat is daarover heen gewalst? De onhoudbaarheid van het collectieve, het existentialistische levensgevoel na de menselijke nederlaag in de Tweede Wereldoorlog, de amerikanisering die de soberheid als noodzakelijke basis ondermijnde, Vaticanum II dat het geloof definitief zijn angstvalligheid ontnam? Hoe dan ook, het lijkt razendsnel geëvolueerd. Glimlachend of meesmuilend is er achteraf over gesproken, maar wel steeds minder. Men was bezig dit bevreemdende stadium in de Vlaamse mentaliteitsgeschiedenis te vergeten.

Jozef van Haver, Belgisch emeritus hoogleraar in de volkskunde, heeft jarenlang gegevens verzameld over de godsdienstbeleving in Vlaanderen in de eerste helft van deze eeuw. In een onlangs gepubliceerd boek heeft hij deze cultuurfase willen vastleggen, bewaren. Van Haver heeft dat rijke Roomse leven zelf meegemaakt en ooit normaal gevonden. Daar haalt zijn boek profijt uit. De schrijver ziet het niet als de uitstalling van een rariteitenverzameling. Hij catalogiseert zonder uitroepingstekens, zij het met een zekere welwillendheid en welhaast in de taal van het oude katholicisme zelf. Het werk balanceert daardoor tussen een late primaire bron en een geschiedkundige synthese die kiest voor een authentieke overbrenging van de oude belevingswereld.

Zo vertelt het over de processie op de zondag na Sacramentsdag, 14 dagen na Pinksteren, de dag waarop de pastoor in een zwaar met gouddraad bestikte koormantel het Allerheiligste, zijnde een willekeurige geconsacreerde hostie, in een schrijn door het dorp droeg, beschut onder een door notabelen geheven baldakijn. Het is een dag van triomf voor de belijdende Kerk. Hoogtepunt van de dag is het zingen van het Tantum ergo. Op dat ogenblik wordt de overigens lauwe menigte overvallen door een plotselinge gloed. Krachtig klinkt de lofzang van de heilige Thomas van Aquino op het eucharistisch mysterie. De tekst verstaat men niet, laat staan de theologische finesses, maar het was het enige Gregoriaanse gezang dat de goegemeente geacht werd te kennen en zij legde er blijkbaar al haar gefrustreerde geestdrift in.

Navrante kreet

Van Havers boek wekt vaak ongeloof bij wie het niet heeft meegemaakt. Bij de anderen weekt het sluimerende gevoelens los, frustraties meestal, die dateren uit een tijd dat bepaalde kringen, colleges bijvoorbeeld, tegen beter weten in vasthielden aan de oude gewoonten van gedisciplineerde groepsbelijdenis, een verlangen naar machtsbehoud, uit paniek of arrogantie.

Van Haver beschrijft de gebruiken, ingebed in een tijd dat ze iets meer aangepast waren. De lezer wordt verwend met bronnenmateriaal, foto's en teksten, vooral uit de jaren '30. De teksten in een aan het onderwerp eigen Vlaams, reveleren een navrante kreet vol heimwee over een onbestaand verleden, toen de zon haar glanzen uitklaterde, het Alleluia van Pasen in al de harten hoogschalmeide, de Pinksterliefde met Sinksen roodfonkelde. Of het lang door alle Vlamingen gekende Avondliedeken van Alice Nahon:

't Is goed in 't eigen hert te kijken/

nog even voor het slapengaan....

Aldus conserveert Van Haver tegelijk een brok Vlaamse cultuur. Daartoe behoort misschien ook de gewijde welsprekendheid van de zogenoemde volksmissie, eens in de tien jaar een achtdaagse lering voor de hele parochie, een programma van zestien preken dat hopelijk zou leiden tot een innerlijke bekering of althans het heropnemen van enkele goede voornemens over praktische godsvrucht.

Wij fronsen bij de lectuur meer dan eens de wenkbrauwen. Maar Van Haver betoogt dat de bestede energie niet alleen een kwestie was van dogmatisme of angst, maar ook van idealisme. Hij wijst bovendien op de consistente theorie die alles kon verantwoorden: van de details in de liturgie tot de offerbereidheid van de missionaris.

Om te begrijpen werd een beroep gedaan op een bijna sofistisch genuanceerd inzicht, vooral in de menselijke aard. Het verstand werd bevredigd. Dat was een grote kracht. Studentenverenigingen riepen vol vuur op tot een ernstig beleven van de vasten. Massa's jongeren beslisten een levenslang engagement aan te gaan.

Het was een tijd waarin geestelijken niet schroomden zich met alles te bemoeien, zelfs met de humor in bepaalde weekbladen, die de heilige schoonheid van het huwelijk zou discrediteren. Het katholicisme behield in deze periode van dreigende secularisering zijn totalitaire aanspraken. Om het even welke activiteit ondernemen zonder kleur te bekennen was verderfelijk. Neutraliteit gold als het sluipende gif van de onverschilligheid. Aldus vierde de Kerk dit hoogtepunt in de bewuste beleving van haar geloof dank zij haar waarschuwende appel tegen een opkomende stedelijke, consumptieve mentaliteit, die van the roaring twenties en van de daaropvolgende crisis.

Veel van de katholieke actie moet gezien worden in het licht van die strijd. In studentenmilieus werd gedweept met een canon van beroemde en geletterde bekeerlingen, Frederik van Eeden onder meer. Er bestonden campagnes via artistieke affiches waarop onverbloemd de boodschap klonk: om trouwer de mis bij te wonen, om alleen goede boeken en kranten te lezen, om niet te trappen in de val van het socialisme of het communisme. En het werkte!

Maar terwijl de Kerk op die manier de mensen opvoedde tot een meer bewuste beleving, gunde zij hun die niet in de misviering. Het beeld is bekend: de priester aan het uiterste einde van het koor, met zijn rug naar de gelovigen, prevelend in het Latijn, zelfs de schriftlezingen in de vreemde taal. Een mis maakte men niet mee, men woonde haar bij, zoals een heidense offerplechtigheid: ter compensatie een mystificerend decorum, een ritualisme dat deed geloven dat alles zo verliep omdat alleen op die manier God de Hem toekomende eredienst zou krijgen.

Van Haver wijst er zonder twijfel terecht op dat slechts een mengeling van sociale druk, bijgeloof en de keuze voor postmortale zekerheid de massa in de kerk hield. Die vaststelling relativeert de zogenaamde grote kloof met vandaag. Ook toen was overtuiging, inzoverre het geen kwezelarij betrof, een elitaire zaak. Ze was enkel mogelijk bij wie door alle scrupulositeit heen toch begrepen waar het in het christendom om draaide. Wrong daar niet meest van al de schoen: dat de angst het middel was om een massa, die dat helemaal niet hoefde, gedwee te houden?