Overvloed en onbehagen

GELD IS ER GENOEG en toch stagneert de economie. Misschien komt het door onzekerheid over de ongrijpbare ontwikkelingen van vergrijzing en mondialisering die de burgers in de rijpe industrielanden op zich af zien komen. Maar vreemd is het wel en ingewikkeld ook.

Het probleem is niet dat van 'deflatie', het beladen begrip uit de jaren dertig toen de beschikbare hoeveelheid geld kromp en de overheid zich nauwelijks actief mengde in de economie. In alle industrielanden is tegenwoordig (alle retoriek over een 'terugtredende overheid' ten spijt) sprake van een reusachtige overheidsbemoeienis en van overdrachtsuitgaven die een bodem in de vraag leggen. Evenmin is sprake van schaarste aan geld. Bij de institutionele beleggers (pensioenfondsen en verzekeraars) en bij particuliere beleggingsfondsen liggen reusachtige bedragen aan spaargelden. Sommige van die fondsen zijn zo groot, dat zij alleen al met een besluit om aandelen van een bepaald bedrijf of de obligaties van een land te verhandelen, de koersen beïnvloeden. Omhoog of omlaag. Dat heeft nauwelijks iets met de fundamentele toestand van de economie van een land of met de winstgevendheid van een bedrijf te maken, en steeds meer met de stemming en het humeur van de grote fondsmanagers. Die geloven in high tech, in bedrijf X of Y, in Mexico, in China of in goud. En nadat hun enthousiasme aanstekelijk op andere beleggers heeft gewerkt, verliezen ze hun belangstelling. Flitskapitaal is een treffende omschrijving voor deze financiële marktbewegingen.

GELD GENOEG, DUS. Temeer omdat de overheden in de Verenigde Staten en de Europese Unie bezig zijn de overhangende financiële lasten van de staatsschulden die in de jaren zeventig, tachtig en begin jaren negentig veel te lang zijn opgebouwd, eindelijk terug te dringen. Dit afnemende beroep van Westerse overheden op de kapitaalmarkten gaat - EMU of geen EMU - de komende jaren door. Heel praktisch: waarin moet het ABP, het verzelfstandigde Nederlandse ambtenarenpensioenfonds, beleggen als minister Zalm en zijn opvolgers veel minder nieuwe staatsleningen hoeven uit te schrijven?

Ook de centrale banken, de beheerders van de geldkraan, helpen een handje mee. In Europa hebben ze onder leiding van de Bundesbank met een straf rentebeleid de inflatie bestreden, de hardheid van hun munten zeker gesteld en overheden gedwongen tot ombuigingen. Landen die om wat voor reden ook dit beleid niet konden volgen (Groot-Brittannië, Zuideuropese en Skandinavische landen) hebben afgehaakt en hun munten in waarde laten zakken. De Amerikaanse Federal reserve deed dat eveneens. Nu staan de harde-muntlanden van het Europese continent voor een versoepeling van het monetaire beleid. Hardnekkige werkloosheid, het gevolg van arbeidsmarkten die zich niet zo snel aanpassen, afvlakkende economische groei en de politieke aandrang om de boel een beetje bij elkaar te houden om de beoogde monetaire unie veilig te stellen, hebben een roltrap van rentedalingen in beweging gezet. Doordat de inflatieverwachtingen zo laag zijn, bestaat daarvoor volop ruimte.

TEGELIJKERTIJD IS er flauwte in de investeringen en consumentenbestedingen. De rijpe industrielanden met hun vergrijzende bevolking hebben, in ieder geval tijdelijk, te maken met een zekere verzadiging van de consumentenmarkt: de mensen zijn al voorzien en men spaart voor een eigen pensioen. In de opkomende landen, met uitzondering van Oost- en Zuidoost-Azië, zijn de risico's groot en tonen investeerders zich buitengewoon terughoudend. Van juridische willekeur en aan de onderwereld ontleende praktijken, vooral in Rusland, zijn buitenlandse investeerders niet gediend. Ze blijven dus weg of wachten af. De buitenlandse investeringen in de ex-communistische landen van Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie in één jaar zijn bijvoorbeeld niet groter dan die in Maleisië.

Internationaal opererende ondernemingen blijven ondertussen wèl hun produktie rationaliseren en werknemers in de welvaartslanden afstoten omdat ze rekening moeten houden met de concurrentie uit lage-lonenlanden. Door uitstel van investeringen beschikken grote ondernemingen over een enorme kasvoorraad geld, waarmee ze op elkaar jacht maken. Een groter marktaandeel wordt gekocht door overnemingen, niet bereikt door expansie.

DIT IS DE PARADOX: er is een ruim aanbod van geld, maar waar is de onverzadigbare vraag van een groeiende economie? Bij gebrek daaraan richt het aanbod zich op de financiële markten, op aandelen, obligaties, onroerend goed en zelfs goud. Daar vliegen de prijzen nu al tijden omhoog. Effectenbeurzen breken records, de obligatiekoersen vieren feest, de huizenprijzen stijgen. En hier dreigt het gevaar van een speculatieve luchtbel van steeds hogere koersen gefinancierd door een overvloed aan goedkoop geld.

Het scenario bevat de kiem voor een klassieke speculatieve luchtbel. Japan heeft hiervan eind jaren tachtig een treffend voorbeeld te zien gegeven. Goedkoop geld leidde tot een financieel feest en van de kater is de Japanse economie nog steeds niet hersteld. In Mexico was het begin jaren negentig niet anders. De vraag is of zich een soortgelijk patroon zal voordoen in Europa en de Verenigde Staten. Want de voor de hand liggende vroegtijdige aanpak, renteverhoging door de centrale banken, zou politiek buitengewoon veel verzet oproepen en is economisch niet nodig zolang geen sprake is van oplopende inflatie. De vraag is dus wanneer de geïndustrialiseerde economieën weer zullen aantrekken. Anders gezegd: zullen de consumentenbestedingen en de bedrijfsinvesteringen zich tijdig herstellen en zal de werkloosheid dalen? Het is een wedstrijd in vertrouwen tussen de financiële markten en die van goederen en diensten, met de monetaire autoriteiten als spelleiders tegen wil en dank.