Ouderwetse haat

New York - Er wordt in Nederland meer dan ooit in het openbaar hartstocht beleden, spontaan gezijnd, extatisch gedaan, van het hart geen moordkuil gemaakt. Meer dan ooit? Wat is ooit? Zijn we niet uitzinnig blij geweest bij de bevrijding, toen we moeder of vader werden, toen er een doelpunt werd gezet?

Ja, maar anders. Het belijden van hartstochten, het sterk blijk geven van sterke gevoelens is geprofessionaliseerd. Daardoor zou je de indruk kunnen krijgen dat er in ons land bijzonder fel wordt geleefd. Ik opper dat dit een vergissing is; gezichtsbedrog veroorzaakt door een nationaal, dwangmatig vertoon van opwinding. Als we dit vertoon eraf zouden kunnen halen, zou weleens kunnen blijken dat het hier weer een kalm landje is.

Waar is bijvoorbeeld de haat gebleven? In de jaren zestig, die we nu geneigd zijn te zien als het pastelkleurig decennium van gezang en bloemenslingers, loeide de haat. Verscheen er een satiricus op de televisie om een taboe te doorbreken dan kon hij erop rekenen dat zijn brievenbus de volgende ochtend was volgepropt met uitwerpselen en anonieme brieven. Dit soort haat blijft dikwijls anoniem, misschien omdat de rauwe primitiviteit ervan automatisch schaamte bij de ontlaster veroorzaakt. De enkele keer dat zo iemand wel laat weten hoe hij heet, vermeldt hij erbij dat hij dit heeft gedurfd.

Er is een pamflet getiteld Pays Bah, uitgegeven door de Bezige Bij, waarin reacties op het programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer zijn verzameld - een bloemlezing van de gemeenste beledigingen. We kunnen het nu beschouwen als een anthologie van historische haat, een document uit de jaren zestig. Persoonlijke haat, tussen A en B en misschien omgekeerd, is er natuurlijk nog wel. Maar ik bedoel hier de openbare haat, niet aflatend gericht tegen publieke personen, de haat die in zijn puurheid tot een tractatie, een eigenaardig soort lust is geworden. Ik kan me vergissen maar ik geloof dat we die op het ogenblik in Nederland niet hebben.

Nu lees ik weer iedere ochtend de New York Post, een krant die tot de stal van Rupert Murdoch hoort. Alle redacteuren, columnisten en medewerkers haten Bill Clinton, maar dat is nog weinig vergeleken bij de energie waarmee ze Hillary haten. Iedere dag een nieuw nummer. Ze heeft een boek geschreven, It Takes A Village. Nee, zegt de Post, dat heeft ze niet zelf geschreven; dat heeft een ghostwriter gedaan. Het zal waar wezen. Maar, meldt de Post, de naam van die assistent staat er niet in. Nee, dat is niet aardig. Toch gaat ze haar boek signeren, tenminste, dat zegt ze. Maar ook dat doet ze niet zelf; daar is weer een andere ghostwriter aan te pas gekomen, de automatische signeermachine van het Witte Huis, want zelf is ze er te lui voor. De Post heeft een echte schrijver gevonden, George Burns (All My Best Friends), die al zijn boeken zelf heeft geschreven en zelf gesigneerd, en Burns is bijna honderd. Op de dag dat ik dit stukje schrijf staat er een exemplarisch haat-artikel over Hillary in de Post. Er zijn eigenlijk twee Hillary's, mevrouw Jekyll en mevrouw Hyde; de warme, oprechte mensenvriendin als de camera's lopen en de kille, inhalige leugenares. Het wordt allemaal bewezen.

Whitewater en Travelgate heten de schandalen waarin ze haar heilloze hoofdrol heeft gespeeld; beide zo langlopend en ingewikkeld dat - zoals het dan met schandalen gaat - niemand nog precies weet wat er werkelijk gebeurd is, maar bijna iedereen wel wat er gebeurd zou moeten zijn. Om dat laatste gaat het eigenlijk. De speciale onderzoekscommissie onder leiding van Senator Alfonse d'Amato is officieel bezig met het opsporen van de waarheid, maar als je in het bijzonder de voorzitter aan het werk ziet, weet je al bijna zeker dat hij bouwt aan een werkelijkheid volgens het ontwerp van zijn haat. Voor de Nederlandse televisie is het jammer genoeg te ver weg. Ik zou de liefhebbers zo'n voorstelling van d'Amato graag gunnen, om dan een vergelijking te maken met een zitting van de commissie Van Traa - niet om er een oordeel van goed en kwaad aan te verbinden, maar louter omdat daaruit blijkt hoe ouderwets het in Amerika weer toegaat, en hoe humaan-omzichtig weer bij ons, zelfs als de gewichtigste zaken in het geding zijn. Misschien moet je thuis zijn in de Haagse wandelgangen om het beter te weten en het dan niet verder te vertellen. Dat is dan ook weer ouderwets.

Afgezien daarvan: hoe zou het toch komen dat sommige mensen eenvoudig al door hun aanwezigheid, zonder zich nog te hebben verroerd, zonder een kik te hebben gegeven, zo'n concentraat van haat wekken? En hoe komt het dat andere mensen dit gevoel blijkbaar onuitputtelijk in voorraad hebben, en het alleen een kwestie van wachten is tot er iemand verschijnt die de bron aanboort? Want wat mevrouw Clinton overkomt is niet van vandaag of gisteren. Toen vier jaar geleden de vorige verkiezingscampagne begon, roken de verscheurende dieren al bloed. Sindsdien is het niet opgehouden en het zal nooit ophouden, al behandelt ze zichzelf met pek en veren. De Post zal schrijven dat het pek afwasbaar was, en d'Amato zal bewijzen dat de veren met overheidsgeld waren gekocht.

In het park draven de honden. De meeste hebben een geweldig plezier, besnuffelen elkaar of vechten een robbertje zonder te bijten. Dan opeens zijn er twee die nog voor ze elkaar een kwart seconde hebben aangekeken, weten dat ze elkaar naar de strot moeten vliegen. Het hele park staat op z'n kop, de andere honden kijken beteuterd toe, ook eigenaren die er niets mee te maken hebben bemoeien zich ermee. Als iedereen geluk heeft laten de vechtersbazen zich grommend en blaffend afvoeren. De eigenaren spreken af dat de een morgen zijn Pluto aan de zuidkant zal uitlaten, en dat Bello het noorden zal houden.

Kunnen honden haten? Misschien, als de baas het voorbeeld geeft. Als Alfonse d'Amato in het ene park kon worden uitgelaten en Hillary in een ander, was er niets aan de hand.