Opstelten en d'Hondt wijzen nieuw reorganisatieplan af; Korpsbeheerders willen politie vooral rust gunnen

Minister Dijkstal (binnenlandse zaken) voorspelde deze week dat de politie op den duur zal worden heringedeeld in provinciale korpsen. Een nieuwe reorganisatie, terwijl de laatste nog nauwelijks is voltooid, is een waar schrikbeeld voor veel dienders. Maar ook voor burgemeesters.

UTRECHT, 20 JAN. Alleen als er ijs ligt heeft de provincie een veiligheidstaak: het bewaken van schaatsers op sloten en vaarten. Burgemeester I. Opstelten van Utrecht wil er niet te lang omheen draaien. Denken over provinciale politie is krampachtig, kortzichtig en zal leiden tot een chaos. Ruimhartig schat de voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de provinciale betrokkenheid op één procent van het veiligheidsvraagstuk voor burgers. Zijn Nijmeegse ambtgenoot, E. d'Hondt, voorzitter van het Korpsbeheerdersberaad, vindt dat percentage al te hoog.

De ideeën van minister Dijkstal vallen niet goed in de gemeenten. De VVD-bewindsman gooide afgelopen week in de senaat een knuppel in het hoenderhok toen hij nog maar eens op de mogelijkheid van provinciale politiekorpsen wees. Nog geen twee jaar geleden werd de reorganisatie van de politie - met ruim 40.000 betrokkenen één van de grootste overheidsoperaties uit de geschiedenis - officieel afgerond met de inwerkingtreding van de Politiewet 1993. De 148 gemeentelijke korpsen en de rijkspolitie werden omgesmeed tot 25 regio's en een korps voor landelijke diensten. Schaalvergroting, resultaatgericht denken en efficiency waren de sleutelwoorden. Door de IRT-affaire en de harde kritiek in een aantal onderzoeken is de politie sindsdien nauwelijks meer uit het nieuws geweest. De dienders zelf, zo stond vorige maand beschreven in een rapport van de Stichting Maatschappij en Politie, hebben vaak gevoelens van “vernedering, angst en onmacht” of werken in een “stuurloze organisatie”.

Terwijl 'Van Traa' nog wordt geschreven lijkt Dijkstal zijn kans schoon te zien om een oud idee nieuw leven in te blazen. Hij was toch al nooit voorstander van de politieregio's. “In hemelsnaam”, verzucht Opstelten op het Utrechtse stadhuis, “laten we niet vluchten in de traditionele, ouderwetse discussies over structuren.”

Wordt Den Haag ongeduldig over de prestaties van de politie?

Opstelten: “Er zijn duidelijke verbeteringen gekomen. Alle rapporten over de politie hebben betrekking op de periode van voor de reorganisatie. Het herschikken van 40.000 mensen kost bijna een generatie van managers voordat de politie stevig in het zadel zit. De politie moet tot rust kunnen komen.”

Het binnenlands bestuur staat aan de vooravond van een grote reorganisatie. Neemt Dijkstal alvast een voorschot op de stadsprovincies?

d'Hondt: “Nee, dat geloof ik niet. Hij wordt ingehaald door allerlei reacties uit de samenleving, de zorgen die deze week in de Eerste Kamer zijn geuit, de Rekenkamer-rapporten, de commissie-Van Traa. Iedereen wordt onrustig. Het is allemaal zeer serieus, maar het staat echt los van het totale functioneren van de Nederlandse politie. Vergeet niet dat er ook gewoon te weinig politie is. Om dan weer snel een discussie over het bestel te starten, dat is het paard achter de wagen spannen.”

Wat is er tegen provinciale politie?

d'Hondt: “De onveiligheid speelt zich voor zo'n tachtig procent af in de gemeente. Dus daar hoort het beleid thuis. Het ligt dus voor de hand dat je bij de organisatie de accenten legt bij het lokale en landelijke bestuur. Een extra laag ertussen is gekunsteld en maakt de democratische controle alleen maar ingewikkelder, tenzij je de politie helemaal weghaalt bij de gemeenten.Maar de gemeenteraad zal altijd iets te zeggen moeten hebben over veiligheid. Bij een provinciaal politiekorps, met een commissaris van de koningin als korpsbeheerder, kan de burgemeester in de gemeenteraad geen verantwoording meer afleggen voor de politie. De commissaris van de koningin moet dat doen in Provinciale Staten. Maar Statenleden hebben geen lokale taken. Die zullen een adviescommissie in het leven roepen om de taken te delegeren aan de burgemeesters. De structuur wordt steeds meer getrapt. Een chaos.”

De stadsprovincie Rotterdam valt straks keurig over de grenzen van de huidige politieregio heen. Daar ontstaat een provinciaal politiekorps.

Opstelten: “Stadsprovincies worden gevormd met inhoudelijke argumenten. Het zijn stedelijke regio's. Daar pas je natuurlijk de politie op aan.”

d'Hondt: “Het gaat daar niet om het intermediaire bestuur van een traditionele provincie. De commissaris van de koningin in een stadsprovincie is in feite een soort Oberbürgermeister als het gaat om veiligheid. Het ligt voor de hand dat hij korpsbeheerder wordt.”

Opstelten: “Maar als je op basis daarvan besluit àlle commissarissen van de koningin korpsbeheerder te maken, kijk je niet meer naar de inhoud. Dan krijg je een slap, gekunsteld compromis waarvan straks iedereen spijt heeft.”

Dijkstal wijst onder meer op het 'democratisch gat' in het huidige bestel. Een rechtstreekse controle van de gemeenteraad op het korps ontbreekt omdat het korps over verscheidene gemeenten is verdeeld.

d'Hondt: “Ik vind niet dat er een democratisch gat is. Gemeenteraden maken nog te weinig gebruik van de mogelijkheden die zij hebben. Het is aan de gemeenteraden om het politiebeleid bij hun burgemeester aan te kaarten. Vroeger sprak de raad van een kleine gemeente één keer per jaar over de politie. Ik hoor nu van mijn collega-burgemeesters dat er in de raden nog nooit zoveel gepraat is als nu.”

Maar de raad kan niet zoveel vragen van zijn burgemeester. Die is afhankelijk van de andere burgemeesters binnen de politieregio.

Opstelten: “De gemeenteraad kan een burgemeester ter verantwoording roepen over het veiligheidsbeleid in de gemeente. Daar is hij de baas. Voor de verdeling van de middelen hebben burgemeesters te maken met regionale prioriteiten. Vroeger moest de burgemeester van een gemeentelijk korps voor extra middelen naar de minister. Nu kan hij er in het regionale college over meepraten en moet de korpsbeheerder van de regio hun eisen op tafel leggen.”

In de Kamer wordt zo wel eens gezegd dat een probleem in Nederland als vanzelfsprekend lijkt te moeten worden opgelost met een reorganisatie.

d'Hondt: “Twee weken nadat de nieuwe Politiewet was aangenomen werd er al gesproken over een nieuwe structuur. Hetzelfde gebeurde bij de vorige wijziging in 1957. De laatste vijftien jaar zie je een opmerkelijke ontwikkeling. In alle regeerakkoorden zijn structuurwijzigingen gebruikt als bindmiddel voor coalities. De sociale zekerheid, de universiteiten, de gezondheidszorg, het binnenlands bestuur. Elke keer als er een nieuwe reorganisatie wordt aangekondigd, zeggen degenen die het dagelijkse werk doen: 'Nou ja, er zal wel weer wat anders komen.' Dat ontneemt de motivatie om verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering van de laatste reorganisatie.”

    • Rob Schoof