Onderwijsvrijheid of discrimatie?

Minister Dijkstal suggereerde onlangs ietwat anders om te gaan met onze wereldberoemde vrijheid van onderwijs. De afwijzende reacties maken duidelijk dat hier diepgewortelde gevoelens of belangen op het spel staan. Juist omdat het zo'n gevoelig onderwerp is tracht de overheid te voorkomen dat ze haar vingers brandt. Het resultaat is dat de grenzen van de vrijheid nu zover zijn opgerekt dat ze op gespannen voet staan met fundamentele democratische waarden.

In deze krant heeft Piet van der Ploeg deze kwestie reeds uitvoerig en helder verwoord (3 januari) en gepleit voor meer overheidsbemoeienis met de inhoud van het onderwijs. De kritiek van Koos Geerds op zijn redenering luidt dat ouders alle ruimte moeten krijgen hun kinderen naar eigen inzicht op te voeden en dat onderwijs in het verlengde moet liggen van opvoedingsidealen, ook - of juist - als men daarin democratische beginselen ziet als onderworpen aan 'Gods geopenbaarde wil' (15 januari). Geerds vreest zelfs voor “een verfoeilijke staatspedagogiek”. De kwestie wat moet worden geleerd en wie dat mag bepalen is uiteraard belangrijk, maar versluiert naar onze mening waar het hier om gaat. Vrijheid van onderwijs wordt nu namelijk heel anders gebruikt dan aan het begin van deze eeuw.

Onze ouders lieten ons vijftien kilometer verder fietsen om de christelijke school te bereiken, louter omdat daar werd gebeden. Omdat andere ouders daar net zo over dachten, fietsten we bovendien zelden alleen door weer en wind. Nu steeds minder mensen actief kerklid zijn, veranderen ook de overwegingen voor schoolkeuze. Ouders leggen minder nadruk op de signatuur van een school en juist meer op kwaliteit. Percepties van de kwaliteit van een school zijn evenwel - niet geheel zonder reden - vaak vervlochten met de sociale en culturele achtergrond van de leerlingen die de school bezoeken. Vroeger lag met het geloof thuis vaak al vast naar welke school je als kind ging. Tegenwoordig zijn scholen minder zeker van hun instroom en concurreren ze daarom - onder aanmoediging van de overheid - om leerlingen.

Aandacht voor kwaliteit van onderwijs kan geen kwaad en concurrentie hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Anders wordt het als sommige scholen systematisch méér mogelijkheden krijgen hogere kwaliteit te leveren dan andere scholen. Hierin ligt een belangrijk verschil tussen openbare en bijzondere scholen. Openbare scholen zijn per definitie toegankelijk voor alle kinderen. Het bevoegd gezag van deze openbare scholen ligt bij de gemeente. Als deze de onderwijskwaliteit wil verhogen kan dat alleen binnen het keurslijf van haar taak àlle scholen binnen de gemeentegrenzen gelijk te bekostigen. Bijzondere scholen daarentegen zijn niet vrij toegankelijk. Deze scholen mogen zowel leerlingen als leerkrachten uitsluiten, bijvoorbeeld op grond van seksuele geaardheid of geloofsovertuiging. Wat elders discriminatie heet, noemen we hier vrijheid. Het bevoegd gezag van een bijzondere school ligt bij ouders die hun capaciteiten - en kapitaal - volledig kunnen inzetten voor de kwaliteit van de eigen school.

Bijzondere en openbare scholen opereren dus volgens verschillende regels op 'leerlingenmarkten' die steeds meer op elkaar gaan lijken. In combinatie met de vrijheid van onderwijs leidt dat tot ironische taferelen. Terwijl de kerken leegliepen nam het aantal scholen voor bijzonder onderwijs toe. Ouders geven soms publiekelijk toe 'dat beetje bidden' op de koop toe te nemen. Terwijl op de gevel nog 'School met den Bijbel' staat, stellen scholen hun potentiële markt veilig met een eigentijdse, veel vrijere invulling van een vak dat vroeger godsdienst heette. Kortom: in de manier waarop de vrijheid van onderwijs tegenwoordig wordt gebruikt gaat het allang niet meer over de inhoud van dat onderwijs.

In de praktijk draagt de huidige onderwijsvrijheid bij tot het ontstaan en voortbestaan van zwarte en witte scholen, arme en rijke scholen, goede en slechte scholen. De kernvraag zou dan ook moeten luiden: hoe staat het met de onderwijskansen van kinderen? We lopen het risico dat een grote vrijheid voor de één, de kansen voor de ander aanzienlijk beperkt. De overheid heeft hier de taak om regulerend maar vooral ook beschermend op te treden. Er staat ouders niets in de weg hun opvoedingsidealen buiten schooltijd te verwezenlijken. Voor het verminderen van ongelijke onderwijskansen is daarentegen de enige weg in te grijpen in wat zich binnen schooltijd afspeelt.