Oceaan van ellende

RUDI ROTTHIER: Kinderen van de krokodil. Slavenarbeid in India

359 blz., Atlas 1995, ƒ 49,90

MARK TULLY: The Heart of India

241 blz., Viking 1995, ƒ 50,40

India laat buitenlandse bezoekers zelden onberoerd. Sommigen snakken voortdurend naar adem bij de aanblik van een oceaan van sociale ellende, waarin honderden miljoenen straatarme bewoners wanhopig spartelen. Anderen raken direct ongeneeslijk verslaafd aan de kleurige verscheidenheid en de spiritualiteit van India. Voor de een is India een roofdier, dat zonder pardon een groot deel van zijn eigen kinderen opvreet, voor de ander een gulle moeder, die niet is bedorven door het onpersoonlijke westerse materialisme.

Tussen deze twee uitersten zweven ook de Vlaamse publicist Rudi Rotthier met zijn Kinderen van de krokodil en de befaamde Britse correspondent Mark Tully mt zijn The Heart of India. De auteurs hebben echter ook dingen gemeen. Zo houden ze zich nu eens niet bezig met de langzamerhand tot vervelens toe bezongen economische liberalisering van India en de daarmee gepaard gaande opkomst van de middenklasse in de grote steden. Beiden proberen te kijken achter de façade van de enthousiast consumerende bovenlaag.

Op zoek naar het hart van India spoedde Tully zich naar de dichtbevolkte dorpen in het oosten van de enorme deelstaat Uttar Pradesh. Driekwart van de 920 miljoen Indiërs woont immers nog in dorpen en als het hart van India ergens is te vinden, dan daar. Rotthier maakte een welhaast epische trektocht van meer dan een jaar kriskras door India voor zijn boek over kinderarbeid en schuldslavernij, verschijnselen die voorlopig een even treurig als onafscheidelijk deel van het land vormen.

De twee auteurs zien India echter door een geheel verschillende bril. Tully is de man, die - tot 1994 als BBC-correspondent - al dertig jaar in India woont en een innige liefde voor het land koestert. De huidige modernisering op westerse leest volgt hij naar eigen zeggen met zeer gemengde gevoelens. Zijn sympathie ligt duidelijk bij het traditionele India.

In sommige opzichten is hij meer Indiaas dan veel Indiërs, die nu juist niets liever doen dan eindelijk eens hun tanden zetten in een Hamburger of rond te rijden in een Opel Astra. Blind voor sociale misstanden is Tully niet, maar erg hard valt hij zijn tweede vaderland hierover niet. Zo heeft hij in het verleden zelfs wel het kastenstelsel, dat door velen als een belangrijke bron van alle sociale ellende wordt gezien, verdedigd als een stabiliserende factor binnen de maatschappij.

Wreedheid

Rotthier daarentegen, een progressieve Europeaan met een tamelijk beperkte India-ervaring, heeft een haat-liefde-verhouding met het land. “Ik zweer dat ik niet zoek naar wreedheid - wreedheid komt me tegemoet, wreedheid stroomt door alle kieren”, schrijft hij ergens vertwijfeld. Zijn hartekreet is begrijpelijk. De catalogus van rauw menselijk leed in de onderbuik van India die hij presenteert is ronduit bloedstollend.

Zo beschrijft hij hoe ouders in de deelstaten Bihar en Madhya Pradesh staan te dringen om hun jonge kinderen voor sommen van 100 tot 500 rupees (vijf tot 25 gulden) te verkopen aan de hardvochtige eigenaars van tapijtenateliers. “Ze smeken je om hun kind te nemen en niet dat van de buren”, citeert hij de zoon van een weverij-eigenaar. “Omdat ze weten: waar wij wonen blijft het toch altijd hetzelfde - werken, werken, werken, 's avonds opeten wat je 's morgens hebt verdiend, en nooit verder komen, nooit genoeg te eten hebben, elke morgen van de honger wakker worden. Alles is beter dan dat - zelfs tijdelijke slavernij.”

Het lot van de 60-jarige steengroeve-arbeider Enkaya is al evenzeer ten hemel schreiend. Zoals miljoenen in India, wordt hij door een lang geleden opgenomen bescheiden lening tot in den eeuwigheid verplicht bijna gratis voor zijn baas te werken. Na een lange week graniet kappen met een kapotte hamer ontvangen hij en zijn vrouw ternauwernood 50 rupees (ƒ 2,50). Ze kunnen daarvan slechts één keer per dag eten. “Ik heb al jaren geen gevoel meer in mijn handen”, klaagt Enkaya, “Ik voel het niet meer als ik me verwond. Mijn zoon moet me erop wijzen dat ik bloed.” Elders beschrijft Rotthier dat sommige groeve-arbeiders zo uitgeput zijn, dat ze niet meer de puf hebben ergens fris water te gaan halen. Als dieren drinken ze, liggend uit een plas op de grond.

Ook kinderen en jonge mensen werken dikwijls onder zulke erbarmelijke omstandigheden dat ze al aan het einde van hun krachten zijn tegen de tijd dat ze zelf jonge kinderen hebben. Die kunnen dan net op tijd, soms al vanaf hun vierde of vijfde jaar, aan de slag om voor hun gebroken vader of moeder geld te verdienen. Veel gezonde vaders vinden het hoe dan ook makkelijk hun kinderen voor zich te laten werken. Dan kunnen zij zich bedrinken van het door hun vrouw en kinderen verdiende geld.

Via de gevaarlijke glasfabrieken van Firozabad en de tapijtenmisère rond Varanasi en Mirzapur bereikt Rotthier Calcutta, waar kinderen en volwassenen voor een paar stuivers per dag gebruikte batterijtjes kapot slaan om de stukjes metaal en de koolstof te recyclen. In India wordt altijd alles gerecycled, tot en met het leven toe. Via wierookstokjes makende kinderen in Nagpur, komen we bij de zijde-industrie rond Bangalore en bij de meisjes in de beruchte lucifersindustrie van Sivakasi in het zuiden van India. Nooit dragen de te werk gestelde kinderen of volwassen schuldslaven ook maar een helm, handschoenen, een stofmaskertje of beschermend schoeisel. Nooit verdienen ze meer dan hooguit enkele dubbeltjes per dag. Hoewel je daarmee in India meer kunt doen dan in Nederland, blijft dit bitter weinig. Te meer omdat veel van hun werkgevers vette winsten maken. De eigenaars van een leerlooierij in Kanpur verdienen vijf keer zoveel als alle 600 werknemers samen.

Met verbijstering registreert Rotthier de volmaakte onverschilligheid van de betere klassen, lees: kasten, voor het lot van de onvoorstelbare armoede en ellende om hen heen. Ze vinden het vanzelfsprekend dat zij het beter hebben dan de arme massa's. Rijk is rijk en arm is arm, omdat de voorzienigheid het zo wil en daaraan moet je niet gaan sleutelen, redeneren zij.

Ook de houding van de overheid is volgens Rotthier, allerlei mooie woorden ten spijt, in het beste geval lankmoedig en in het ergste geval crimineel. “In dit land heerst nog steeds het idee: de armen, volwassenen of kinderen, moeten werken, dienen”, citeert Rotthier een strijder tegen kinderarbeid. Met ontwapenende eerlijkheid geeft hij aan het einde van zijn voortreffelijk geschreven boek toe dat hij na zijn lange tocht niet begrijpt waarom zulke ellende nog altijd in India wordt getolereerd. Hierdoor gaat hij helaas ook nauwelijks in op de vraag, hoe deze schandvlek kan worden uitgewist, waardoor de lezer na afloop met een enigszins onbevredigd gevoel blijft zitten.

Feesten

Terwijl Rotthier zich met zijn Westerse humanitaire waarden stuk loopt op de keiharde Indiase werkelijkheid, voelt Tully zich als een vis in het water van de Ganges in Uttar Pradesh. Met veel animo beschrijft hij de finesses van de dorpssamenleving, de religie van de dorpelingen en hun feesten en de hele kleurrijke samenleving waarin zij leven.

Toch valt Tully's nieuwe boek na een geslaagde reeks gebundelde reportages, No full stops in India, van 1991 tegen. Dat komt mede door de gekunstelde vorm waarin hij het ditmaal heeft gegoten. Om de privacy van de betrokken personen te waarborgen, besloot hij de verhalen tot fictie te maken. Maar de personages komen niet erg uit de verf en de verhalen houden dikwijls abrupt op, wanneer Tully kennelijk vond dat hij de sociale context voldoende had belicht. De gelouterde journalist blijkt als fictieschrijver een beginneling. Na talrijke listen en lagen van corrupte en perfide lieden te hebben getrotseerd, komen de hoofdfiguren meestal toch nog als winnaar te voorschijn. De treurige werkelijkheid in India is echter dat dit maar zelden gebeurt. De persoon met de meeste connecties en het meeste geld wint vrijwel altijd, niet degene die in zijn recht staat.

Momentopname

Interessant is het contrast tussen Rotthier en Tully. Terwijl Rotthier, vers van buiten, vooral geschokt wordt door het lot van de armsten en daarvan een indringende momentopname geeft, ziet Tully met zijn lange ervaring wel degelijk hoopgevende veranderingen. Zo beschrijft hij in zijn verhaal 'Dorpsstaking' hoe dorpelingen, die eeuwenlang deemoedig het gezag van de Bhumihar-kaste hadden aanvaard, plotseling in opstand komen en weigeren de heren van vroeger gratis diensten te verlenen. Ook laat hij zien hoe de dorpelingen door onderwijs en een grotere mobiliteit langzamerhand ontdekken dat ook zij bepaalde rechten hebben en niet vanzelfsprekend altijd in het stof hoeven te liggen voor mensen van een hogere kaste. Dezelfde trend stelt ook vrouwen in staat zich voorzichtig te emanciperen.

In zijn verhalen maakt Tully duidelijk dat hij geheel aan de kant staat van de verdrukte armen, die het tegen de corrupte rijken opnemen, en dat hij de emancipatie van de armen toejuicht. Tegelijk steekt hij niet onder stoelen of banken hoezeer hij aan de oude dorpscultuur is gehecht. Het lijkt echter onvermijdelijk dat die oude cultuur nu juist zal desintegreren naarmate de armen meer over de lemen muren van de gevangenis, die hun dorp vaak was, kunnen heenkijken. Ook zij zullen consumptiegoederen als televisies, scooters en tape-recorders willen en zo zal het leven in de 500.000 Indiase dorpen, het hart van India, de komende jaren onherroepelijk veranderen.

    • Floris van Straaten