Lubbers

Als Nederland een landgenoot op een hoge internationale post benoemd wil zien, dient onze diplomatie rekening te houden met de volgende zes gedragsregels: de kandidaat moet van topkwaliteit zijn; de benoemingsprocedures (geval voor geval immers verschillend) moeten nauwlettend worden gerespecteerd; de campagne moet tijdig worden voorbereid en ingezet; concurrerende kandidaturen binnen de Europese Unie moeten worden vermeden; de campagne moet met discretie worden gevoerd; en ten slotte moeten bewindslieden zelf zich naar buiten zo weinig mogelijk met de campagne bemoeien.

De verleiding om de gang van zaken rond de mislukte kandidatuur van oud- minister-president Lubbers voor de post van SG-NAVO kritisch te bezien aan de hand van deze gedragsregels is moeilijk te weerstaan. De uitvoerige rapportage in dit blad van 6 januari over het gebeurde geeft echter voldoende aanknopingspunten om de vraag te stellen of onze diplomatie hier en daar heeft gefaald. Heeft de regering wellicht iets te gemakkelijk aangenomen dat, toen de EU-partners bereid bleken een Lubbers-kandidatuur te steunen, Washington wel zou volgen? Was het verstandig van minister-president Kok om in New York de pers te vertellen, dat hij van John Major een mogelijke Britse kandidatuur ingefluisterd had gekregen? Hebben Major en Chirac wellicht Lubbers' kansen getorpedeerd (bewust of onbewust) door zich tijdens een persconferentie te Londen te vroeg openlijk achter hem te scharen? Deed onze “would be”-kandidaat zelf er wel verstandig aan om zich op ultrakorte termijn naar Washington te doen oproepen? En had ambassadeur Jacobovits eerder de stormbal moeten hijsen, toen hem door het State Department na de examenlunch werd verteld, dat men daar nog geen standpunt had bepaald? Het gezegde, dat diplomatie bestaat uit “saying nice dog... while reaching for a rock”, is niet voor niets uit Amerikaanse bron afkomstig.

In het algemeen illustreert de wijze waarop de Lubbers-kandidatuur is mislukt, de diep ingrijpende verandering waaraan onder de hedendaagse omstandigheden de diplomatie onderhevig is; een verschuiving van accenten in het internationale verkeer, waarmee Nederland (nog) geen weg weet. De herijkingsnota gaat voorbij aan deze ontwikkeling, die hierop neerkomt, dat onder invloed van de moderne media en communicatietechnieken de klassieke diplomaat zijn wezenlijke taak steeds meer overgenomen ziet door de verantwoordelijke bewindslieden zelf, i.c. de minister van buitenlandse zaken en (onder Europese verhoudingen) de minister-president. De bewindslieden ontmoeten hun buitenlandse collegae persoonlijk zo veelvuldig, dat zij eenvoudig niet kunnen ontkomen aan rechtstreekse gesprekken, ook over die delicate zaken, die beter onder hun ambassadeurs kunnen blijven ressorteren alvorens naar buiten te worden gebracht. En na hun rechtstreekse internationale contacten ontkomen de bewindslieden - veelal onvoldoende voorbereid - vervolgens niet aan de noodzaak om de media te woord te staan en zich publiekelijk te uiten daar waar zwijgen beter ware. Maar dat laten de moderne methoden van communicatie eenvoudig niet toe.

Hedendaagse bewindslieden kunnen zich derhalve niet meer beperken tot beleidsbepaling en het aangeven van strategische lijnen, de tactische uitvoering overlatende aan hun beroepsdiplomaten. Zij moeten zelf aan diplomatie doen, en dat valt niet altijd gemakkelijk. Van hun kant verliezen ambassadeurs langzamerhand hun centrale functies en worden meer en meer begeleiders, horecabaasjes en hooguit adviseurs van de ministers; een nieuwe rolverdeling van blijvende aard, die voor velen een pijnlijk aanpassingsproces betekent. Maar de noodzaak van een betere voorbereiding op het diplomatieke werk is voor alle betrokkenen onontkoombaar geworden.

Zo leidt de specifieke gang van zaken rond de Lubbers-kandidatuur voor de post van SG-NAVO tot de algemene conclusie, dat herijking van ons buitenlandse beleid meer inhoudt dan huiselijke, interdepartementale afspraken over wie dit en wie dat doet en hoe men het een en ander coördineert. Herijking heeft ook een buitenlandse dimensie. Het is het diplomatieke optreden zelf van onze bewindslieden, dat het hardst aan een herijking lijkt toe te zijn.

    • J.H. Lubbers
    • Oud-Ambassadeur te Washington