Kwangju en de bittere schreeuw van de koekoek

Ex-president Chun van Zuid-Korea moet zich voor de rechter verantwoorden voor het bloedbad in de zuidelijke stad Kwangju van 1980. Wat geen Koreaan voor mogelijk hield, lijkt nu toch te gebeuren: een reconstructie van het 'nationale trauma' en vervolging van de schuldigen. Deze week werden vijf 'cronies' van Chun aangehouden.

KWANGJU, 20 JAN. De begraafplaats Mangol-dwong ligt weggedoken tussen de bruine heuvels, ver buiten de stad. Stil is het er, maar koud. Trapsgewijs liggen er 200 graven. 'Straf de schuldigen van 18 mei' staat op een spandoek aan het gietijzeren hek. Hier rusten de burgerslachtoffers van het oproer in Kwangju zestien jaar geleden, toen het leger op meedogenloze wijze een democratiseringsbeweging de kop indrukte.

Tombe 45 is die van Suk Hi, een student die op de dag van zijn dood negentien jaar was. Naast de smalle granieten grafsteen met ingelijste foto staat een glazen kistje waarin zijn parafernalia zijn verzameld: collegedictaten, pennen, een pakje sigaretten, 1000 kraanvogels gevouwen door zijn vrienden. Op het graf een flesje rijstwijn, een half gevulde beker bevroren drank en partjes sharonfruit, voor het geval Suk Hi op mocht staan uit de dood.

Bij de ingang van het kerkhof staat een stalletje waar bloemen en wierook worden verkocht en de bezoekers een fotoboek kunnen bekijken met de meest afschuwelijke foto's van verminkte lijken uit 1980. Op een marmeren plaquette tussen de struiken is in lieflijk hangul-schrift een tekst uitgebeiteld: “Als de maand mei komt, met de bittere schreeuw van de koekoek, stromen de pelgrims naar Mangol-dwong, embleem van de Koreaanse democratie.”

Hoewel de democratie al acht jaar geleden terugkeerde in Zuid-Korea met het aantreden van de eerste vrijgekozen president, is de afrekening met het tijdperk van militaire dictatuur eerst nu begonnen.Chun Doo Hwan, die op 12 december 1977 via een coup d'état aan de macht kwam en zich na enige tijd tot president liet uitroepen, verkeerde na zijn vrijwillige machtsoverdracht aan een gekozen regering in 1988 lange tijd in de veronderstelling dat het verleden hem niet zou achterhalen. Hij leek op voldoende ruggesteun te kunnen rekenen binnen het politieke ons-kent-ons-establishment voor een welverzorgde oude dag. Dat bleek een grove misrekening. Tot ieders verbazing werd de 64-jarige Chun op 3 december vorig jaar in voorlopige hechtenis genomen in verband met de coup en het bloedbad van Kwangju. En gisteren werden vijf van Chuns naaste medewerkers van destijds opgepakt. De Koreaanse justitie heeft verder aangekondigd dat tientallen anderen eveneens rechtsvervolging wacht, onder wie vier parlementsleden. Een regeringscommissie heeft de afgelopen dagen in Kwangju uitgebreid onderzoek gedaan naar de donkere gebeurtenissen van weleer. Getuigen en verdachten zijn ondervraagd en plaatsen waar mogelijk nog meer slachtoffers liggen begraven zijn onderzocht.

Song Ki Sook is professor aan de Chonnam Universiteit en was een van de leiders van de opstand tegen de generaals in 1980. Hij beschrijft, koel: “Na de staatsgreep van Chun hadden overal in het land protesten plaats tegen het bewind. In vrijwel elke stad. De militairen zochten vervolgens naar een rechtvaardiging voor hun dictatuur en kozen Kwangju uit voor actie omdat oppositieleider Kim Dae Jung hier vandaan komt. Wij werden er destijds van beschuldigd agenten van communistisch Noord-Korea te zijn en dat zou de reden zijn geweest voor het legeroptreden.” Een dag nadat het parlement werd ontbonden, op 17 mei 1980, sloot het leger Kwangju van de buitenwereld af en opende de jacht op de opposanten. “Ze hebben mij en anderen gemarteld om ons te laten vertellen welke banden we hadden met D.J. (Kim Dae Jung, LH)”, zegt Song.

In de straten van de stad werd dagenlang gevochten tussen het leger en de oppositie met een voorspelbare afloop. Op 27 mei waren de laatste verzetshaarden opgeruimd. Tenminste 200 burgers kwamen om het leven en een nationaal trauma was geboren. Het bloedbad van Kwangju verdween daarna volledig uit de openbaarheid. De militairen stonden verdere discussie niet toe. In de Koreaanse geschiedenisboekjes staat geen letter over de mei-opstand. Na de terugkeer van de democratie nam de roep toe om een onderzoek en een proces tegen de daders. Het moest tot eind vorig jaar duren na de zoveelste demonstratie van studenten in Kwangju die 'gerechtigheid' eisten. Op 19 december 1995 nam het parlement een wet aan die vervolging mogelijk maakte van de verantwoordelijken voor “de muiterij van 12 december 1979 en het wrede neerslaan van de burgerprotesten in Kwangju vanaf 18 mei 1980”. Lee Seung Chae, de voorzitter van de nieuwe Korea Partij (de regeringspartij in Kwangju) noemt de wetgeving noodzakelijk voor “het herstel van de nationale geest en voor het corrigeren van de geschiedenis”. Hoewel doodgezwegen bleef Kwangju na 1980 een kopzorg voor het bewind. Koreanen vergeten niet licht en vergeven zonder boete voor de daders is er helemaal niet bij. De nabestaanden van de slachtoffers hebben allemaal weliswaar een fors smartegeld ontvangen van 100 miljoen won (200.000 gulden), maar daarmee konden de generaals in de ogen van de inwoners van Kwangju hun schuld niet afkopen. Omgekeerd kon het leger jarenlang naar het neerslaan van de mei-opstand verwijzen om al te veel oppositie te smoren. 'Weet wat er in Kwangju is gebeurd' - en zo hielden de twee partijen elkaar in gijzeling.

Kwangju is nu een betrekkelijk welvarende stad met 1,3 miljoen inwoners. Een wanstaltige metropool opgetrokken uit beton en glas en met een voortrazend verkeer. Een oord waar het dichtbevolkte Zuid-Korea er een dozijn van heeft. Kwangju toont openlijk haar trots over de 'helden' van toen. Stedelijke brochures spreken over “de voorhoede van de democratie” en eren de burgers die “zich hebben opgeofferd om een onrechtvaardig regime te weerstaan”.

Gemeentelijk ambtenaar mijnheer Kim, durft nog altijd niet ronduit te praten uit angst voor repercussies. Onder dekking van zijn familienaam - ettelijke miljoenen Koreanen hebben de achternaam Kim - laat hij zich tenslotte uit. Ook hij maakte de mei-opstand van nabij mee. “Behalve de woede over het legeroptreden waren we vooral teleurgesteld in de Amerikanen. Zij hebben ons niet geholpen. Zij hadden Chun en de zijnen kunnen stoppen maar ze deden niets. Niemand deed iets voor ons. Kwangju zal haar zielerust pas hervinden als de hele zaak is opgelost. De mensen kunnen dit niet meer vergeten.”

    • Lolke van der Heide