In de Rusizi drijven nog steeds lijken

BUJUMBURA/UVIRA, 20 JAN. Libére Nyandwi laat eerst de twee kogelwonden in zijn been zien en dan de wond in zijn arm, het gevolg van een steek met een bajonet. Hij is nog nauwelijks van de schrik bekomen. Gisteren werd hij tijdens zijn vlucht uit Noordwest-Burundi naar een van de vele kampen bij de stad Uvira in Oost-Zaïre beschoten door het regeringsleger. “Het is een hel langs de Rusizi”, vertelt hij. “Overal dreven lijken toen onze uitgedunde groep de andere kant van de grensrivier had bereikt.”

De verhalen van de duizenden Burundische Hutu-vluchtelingen die de afgelopen weken zijn gearriveerd, geven een beeld van wat zich sinds enige tijd afspeelt in het noorden van dit Middenafrikaanse land. Nadat in juni de campagne was beëindigd van het door Tutsi's gedomineerde regeringsleger en Tutsi-milities, om alle Hutu's uit hun huizen in de hoofdstad Bujumbura te verwijderen, werden de etnische zuiveringen verplaatst naar de heuvels en de valleien. Tegelijkertijd voerden Hutu-guerrillastrijders hun acties tegen de Tutsi's op. Eerder deze week raakten ook Rwandese Hutu-vluchtelingen bij deze strijd in Noord-Burundi betrokken. Ten minste tienduizend van hen weken uit naar buurland Tanzania.

Noord-Burundi is, evenals vrijwel alle andere gebieden buiten de steden, niet meer toegankelijk voor buitenstaanders. Informatie uit de eerste hand is schaars. Het grootste gedeelte van de vluchtelingen bestaat uit vrouwen, kinderen en ouderen. Het zijn onschuldige burgers en niet de opgehitste Hutu- en Tutsi-strijders die het meest lijden onder de oorlog.

Libére Nyandwi vervolgt zijn relaas. “De Tutsi-milities zetten in samenwerking met plaatselijke bestuurders aan tot acties tegen Hutu's in de provincie Bubanza waar ik woon. De plaatselijke Tutsi-bevolking opende de aanval op ons Hutu's, toen volgden de Tutsi-milities die onze woningen in brand staken. Vervolgens rondde het regeringsleger het karwei af door ons te verjagen.”

Libére verborg zich tien dagen op een bananenplantage. Hij durfde zich niet te laten zien, want dan zouden de autoriteiten hem er waarschijnlijk van beschuldigen een Hutu-guerrillastrijder te zijn. Op een nacht begaf hij zich met een groep vrienden en familieleden naar de Rusizi om te proberen het land te ontvluchten. Maar regeringssoldaten wilden dat voorkomen. Langs de oevers legden zij landmijnen. “We hielden ons drijvende door ons vast te klampen aan jerrycans. Er ontstond paniek toen er uit de bossen een legereenheid verscheen die op ons begon te schieten. Ik zag mijn opa, oma en zuster om hulp schreeuwen maar ik kon niets doen. Het was een situatie van ieder voor zich. Ik zag hun levenloze lichamen weggevoerd worden door het wild stromende water.” De omstanders in het kamp bij Uvira beginnen druk door elkaar te praten en te gebaren. Ook zij willen hun verwondingen tonen en over hun ervaringen vertellen. Allen leggen de verantwoordelijkheid voor de gruweldaden bij het regeringsleger, maar ook voor hun Tutsi-medeburgers hebben ze geen goed woord over. “Want zij vielen ons het eerst aan.” Een oude man roept: “De burgeroorlog in Burundi is een zuiver etnisch conflict, mijnheer.” Niemand wil erkennen Hutu-guerrillastrijders te hebben gesteund. Maar er bestaat kennelijk wel degelijk sympathie voor hen. “Als u mij vandaag een geweer geeft, dan ben ik morgen terug in Burundi om te vechten”, zegt een jongen. Iedereen juicht.

De polarisatie tussen de Hutu-meerderheid, die ongeveer 85 procent van de bevolking vormt, en de Tutsi's, die al eeuwen de macht uitoefenen, lijkt totaal in Burundi. Redelijkheid en pragmatisme hebben plaatsgemaakt voor haat, angst en xenofobie. De Hutu-wijk Kamenge in Bujumbura ligt er na de serie etnische zuiveringsacties van vorig jaar verlaten bij. Huizen zijn verbrand of door bulldozers met de grond gelijkgemaakt. Alle voormalige Hutu-bewoners van de wijk verbergen zich in de heuvels rond de hoofdstad of verzamelen zich rond missieposten.

Er klinkt geweervuur in de heuvels als Diamant Nahiymana in een kliniekje bij de missiepost Johnson aan de rand van Kamenge de bijbel ligt te lezen. Hij kreeg een week geleden een kogel in zijn enkel toen regeringssoldaten zijn schuilplaats in de heuvels aanvielen. Naar zijn huis in Kamenge kan hij niet meer terug. Regeringssoldaten schoten onlangs nog drie Hutu's dood die terug wilden gaan. “Ik ontken niet dat er zich Hutu-guerrillastrijders in de heuvels rond Bujumbura ophouden”, zegt Diamant. “Maar het leger gebruikt dat als voorwendsel om ons Hutu-burgers af te slachten. Dit is geen oorlog, dit is een genocide.” Het centrum van Bujumbura ligt tien kilometer van de missiepost af, maar Diamant heeft zich er al maanden niet meer laten zien. In zijn beschrijving lijkt het centrum van de stad op een frontlinie. “Ik word daar door Tutsi's vermoord.” Overigens overdrijft Diamant een beetje, want weliswaar angstige Hutu-boeren kunnen nog wel degelijk hun produkten afleveren op de grote markt in de stad.

Diamant is niet de enige die niet meer rationeel kan denken in Burundi. Geen enkele Tutsi-taxichauffeur in het centrum is bereid om passagiers naar de ontheemde Hutu's bij de missiepost Johnson te brengen. “Het is daar levensgevaarlijk”, zeggen zij. “Daar schieten Hutu's op je.” In werkelijkheid zitten 4000 opgejaagde Hutu's zich al maanden bij de missiepost te vervelen. Zij willen niets liever dan vrede. Dan zouden ze kunnen terugkeren naar Kamenge, en hun oude leven opvatten.

    • Koert Lindijer