Hollands Dagboek

De priester en kunsthistoricus Antoine Bodar nam zondag gedwongen afscheid van de Krijtberg-parochie in Amsterdam, waaraan hij sinds 1992 was verbonden. Bodar doceert sinds 1978 aan de Leidse universiteit theoretische kunstgeschiedenis; ook daar is zijn positie bedreigd. Hij levert bijdragen aan Trouw en de publieke omroepen. Dit voorjaar verschijnt van zijn hand het boek 'Geheim van het Geloof'.

Woensdag 10 januari

Ik ben nog lam van de griep. Zelfs koffie zetten kost me te veel moeite. Dus geen koffie. Ik bid het brevier. Lezingen uit en over Genesis. Pas toen Adam en Eva van de boom hadden gegeten, merkten ze in schaamte naakt te zijn. Ongehoorzaamheid doet hen zich verstoppen in vijgebladeren. Wordt in het moderne levensgevoel naaktheid nog met schaamte verbonden? Ik denk het niet.

Vanaf half tien gaat onafgebroken de telefoon. Vanuit de sponde bedien ik het toestel. Onderwijl blijven in mijn gedachten de beide telefonades van de bisschop gisteravond. De gewezen deken van Amsterdam, die evengoed aanblijft als rector van de meeste binnenstadskerken aan de Prins Hendrikkade. “Wordt het geen tijd het city-pastoraat als organisatie op te heffen”, vraag ik luchtig. “Is daarvan niet het eerste kenmerk dat godshuizen door de week gesloten blijven, zoals de Nicolaas, of alleen voor manifestaties worden gebruikt, zoals de Mozes en Aäron aan het Waterlooplein?” Blijven bisschoppelijke handen gebonden als gevolg van voorbije machtsverdeling? Is àlle schaamte voorbij? In het tweede telefoongesprek blijkt, dat ik evenmin voor dagelijks gebruik van altaar, biechtstoel, en spreekkamer in De Papegaai aan de Kalverstraat terecht kan, hoewel ik daar al zo'n drie jaar regelmatig word gevraagd.

Rond het middaguur sta ik op, open de post en vind de uitnodiging voor een gastcollege aan de sociale faculteit in Leiden. Ik neem de invitatie aan, zoals eerder die van de theologische en wijsgerige faculteit aan de eigen universiteit en tal van uitnodigingen elders. Waarom zouden naaste collegae van de eigen vakgroep kunstgeschiedenis, waar ik sedert 1978 in verscheiden varianten de reflectie op de kunsten doceer, mij onlangs als persoon overbodig hebben verklaard? Zij reflecteren voortaan zelf wel. Bezuinigd moet er worden. Als mijn kop alvast valt, valt een andere niet. Niets menselijks is mij vreemd. Maar is het passend voor een universiteit, wanneer zij de algemene vorming weglaat ten behoeve van pure specialisering? Ortega Y Gasset, in de Opstand der horden, houdt dit zelfs voor barbarij. Zo ver ga ik om tactische redenen niet. Ik zou mijn kop al definitief kwijt zijn. Zover is het nu niet.

Ik lees Frits van der Meers Open brief over geloof en eredienst uit, dat een student uit Rolduc mij heeft toegestuurd. Scherpzinnige bespiegelingen die winnen aan actualiteit bij de ommekeer in de Kerk. Niet de modernisten vormen langer de voorhoede, maar de traditionelen. Niet louter de tijdelijkheid doet er toe, ook de eeuwigheid. Ik eet een appel en trek Baltasar Graciáns Handorakel en kunst van de voorzichtigheid uit de kast. Van jezuïeten heb ik altijd veel geleerd. In het nawoord over deze Spaanse figuur uit de zeventiende eeuw treft mij plotseling dat, toen hij publiek bekend werd, zijn lessen voor onder de maat werden gehouden - zij het niet door studenten. Een novum. Althans voor mij.

Om half zes ga ik naar de Krijtberg om de mis op te dragen. De eerste lezing is uit Samuel. Ook toen was het Woord van de Heer een zeldzaamheid en kwam een visioen nauwelijks voor. Ik bemin met tederheid Hanna en hoop met vurigheid ietwat van haar zoon te worden. In de lezing uit het evangelie van Marcus troost mij, dat Christus het voorbeeld geeft soms naar een eenzame plaats te gaan om te bidden. Beate solitudo, sola beatitudo (Gelukkige eenzaamheid, enige gelukzaligheid), belijden de Kartuizers. Tibi silentium laus (Stil is Uw lofprijzing), houd ik niet op te herhalen met de psalmist.

In de eucharistieviering is het stil. Ik ervaar mij, zoals dagelijks, verbonden met de mensen in de kerk en zij dragen mij als priester. Wie zou de priester zijn zonder de Heer, maar wie ook de priester zonder de mensen? Ik ga kort binnen bij de grootste kruidenier die op de kleintjes let, zoals de oudste universiteit op de kwaliteit, en maaltijd, thuis gekomen, met paddestoelen in olijfolie, een stuk brood en een glas wijn. Geen Franse. Onverwacht zwaait Christiaan V., teruggekeerd uit Parijs, langs en maakt mij enthousiast voor de tentoonstelling die hij voorbereidt over Jan van Goyen. De rest van de avond werk ik aan een bijdrage voor het tijdschrift Kunstlicht, waarvan ik als titel heb opgegeven 'Kunst baart dienstbaarheid'.

Donderdag

Een commentator op TV Cinq spreekt over Mitterrands ironie van Voltaire, waarbij zich opnieuw het geloof van de christen heeft gevoegd. Moderne man, de gestorven president. Ik betreur het slechts gedeeltelijk de beelden van de uitvaartplechtigheden te kunnen zien, waarin de Moederkerk zich als moeder mag tonen. Mevrouw B. komt vandaag, zoals elke week, helpen. Zij kuist mijn huis en wast mijn kleren. Ik mag haar daarvoor niet betalen, omdat zij het als onderdeel van haar kerkewerk beschouwt. “Wat voor bloemen wilt u zondag op het altaar”, vraagt ze. Ik kijk haar verbaasd aan. “Witte lelies?” “U mag het deze keer zeggen.” Zo zal gebeuren.

Wiebe Kiestra, jong en open, maakt vrijmoedig foto's. “Weet je nu welke je kiest”, vraag ik nadat hij er vele binnen en buiten heeft geschoten. “Ik denk van wel.” Hij noemt de opname die ik twee dagen later in Trouw terugvind. Aansluitend op de mis van half één tref ik Elisabeth IJ., die mij helpt met de post. Een half woord is haar genoeg. Zij kent de toon en vindt de woorden. Vrouwen dragen de Kerk, ook in dezen. Mevrouw S., die mij altijd met haar automobiel door het land voert voor vieringen en lezingen, is deze dagen van afscheid extra druk aan de telefoon. Niet minder betrokken en toegewijd is Mevrouw L., momenteel herstellend van een val, die ik niet eens heb kunnen bezoeken. Ik besef mijn ontoereikendheid die mij spijt.

Ik spoed mij naar huis, waar Walter Herfst, fotograaf van het Algemeen Dagblad een portret komt maken voor het eerder in de week door Carel Brendel afgenomen vraaggesprek. Een man die weet waar de Muzen wonen. Terwijl ik thee zet voor de inmiddels binnengekomen Marlies Kieft, journaliste van Trouw, vertelt hij over de nieuwe, aan zijn vak verwante baan van zijn vrouw. Ik voel me met hem meteen eigen, even van zelf als niet lang geleden met Sonja Barend op de Vara-televisie. Marliesje stelt slimmere vragen dan ik kan beantwoorden. Tegen vijf uur meldt zich de KRO-radio voor een rechtstreeks interview per telefoon. De presentatrice geeft mij de kans te zeggen wat ik wil. Radio- en televisiegesprekken zouden alleen rechtstreeks gevoerd moeten worden. Dit terzijde. De rest van de dag denk ik na over de afscheidspreek. Ik kijk documenten van het Tweede Vaticaans Concilie na die betrekking hebben op de omgang van de kerk met de media en vind bij Augustinus een welsprekende homilie over Johannes de Doper. “Leven is heerlijk”, denk ik bij het slapen gaan, “maar sterven niet minder mooi”.

Vrijdag

Ik begin onrustig te worden en zou wensen reeds in de Abdij van Vaals te zijn. Ik poog te werken. De eerste maanden van het jaar zijn eerder geschikt om te winterslapen of zich op te bergen in een kachel. Ik ga naar buiten en loop langs de grachten. Ik kijk rond in de boekwinkel en betreed de Nieuwe Kerk. Boeddha's, neergezeten in rechte houding, de blik gericht naar binnen, verwijzen naar bewegingloosheid die meer dan beweging de essentie van het leven is. Zo verklaar ik vrij, terwijl ik de aanwezige kunstschatten uit Thailand bekijk. Het gebouw als ruimte vind ik fraai maar als kerk pronkerig, het orgel prachtig maar Michiels grafmonument ijdel, zeker gezien de plaats van de opstelling. Niet de Nieuwe, wel de Oude Kerk zou alleszins geschikt zijn om daar ook missen op te dragen, zoals in de begintijd van dit godshuis. Wat is een priester zonder kerk? Een middel zonder doel. Een stem zonder woord. Een knecht zonder volk.

Rond de mis voegen zich, zoals steeds, de gebruikelijke gesprekken in de spreekkamer. 's Avonds zit ik stil in mijn huis. De telefoon is er ook. Niet stil.

Zaterdag

Vanaf de vroege ochtend lees ik in hoog tempo commentaren op de vastgestelde lezingen voor de eucharistieviering van morgen. Om elf uur ben ik bij Maryleen S., met wie ik de liefde voor de schilderkunst van de Italiaanse Renaissance deel en niet minder die voor Baldassar Castiglione's Hoveling, het boek over de wellevendheid, tot heden hier te lande geen verplichte lectuur bij toelating tot ambten in politiek en bestuur, universiteit en kerk.

Ik had beloofd vandaag te komen. Ik bekijk de schilderijen waaraan zij werkt en waarvoor zij ook nu niet schroomt citaten te kiezen uit vroeger werk - precies zoals Alberti voorschrijft onder verwijzing naar Quintilianus' rhetorica. Evenmin schroomt zij personen van nu in één groep te portretteren met figuren van toen. Even praten we over haar werk en ook over het mijne.

In De Krijtberg draag ik aansluitend voor de laatste keer de mis op, althans in het Nederlands. Het afscheid morgen, met de hoogmis in het Latijn, hangt al in de gewelven. “Ik kom morgen niet”, zegt een mevrouw die ik onlangs in de Kerk heb opgenomen. “Dat kan ik niet.” De volgende vijf uren verdwijn ik in spreekkamer en biechtstoel. Om zes uur, als ik langs ga bij een pril gezin om de hoek, krijg ik bij het weggaan een hart van koek mee. “Aardigheidje”, zegt Robert. “Je hebt een hart nodig en wij dragen je een hart toe.”

Ik schrijf de preek. De tekst is om vier uur af. Nu de slaap opzoeken, de broeder van de dood.

Zondag

Om half tien staat Bianca Henkes voor de deur om een reportage te maken voor KRO-radio. Bescheiden stelt ze allerlei vragen. “Hebt u bij het schrijven gisteravond muziek beluisterd?” wil Bianca weten. “kunt u daarvan iets laten horen?”. Het Stabat mater van Pergolesi klinkt voor mij opnieuw. Tot in mijn vezels raak ik geraakt, maar het valt haar niet op. Op weg naar de kerk probeer ik voor de microfoon iets te zeggen over de zondagochtend op de stille gracht. Deze en gene komen we tegen. In de opening van de mis wijkt de emotionaliteit. Het gaat niet om mij die alleen instrument is. Alleen om Hem Die ik hier stem geef. Saamhorigheid paart zich aan ingetogenheid en beminnelijkheid aan dankbaarheid. Dit is viering van liturgie. Na afloop verdwijn ik langs de achterzijde. Ton de la P., in de hoedanigheid van ceremoniarius, begeleidt mij en koster Louk B. ontsluit de poort. Het voornemen vandaag nog naar het zuiden te reizen - Gruis G. verzekert me ervan - blijkt kloek. Ik ben evenwel niet alleen. Er zijn vrienden.

Maandag

NOS-radio en AT5-stadstelevisie hebben gisteren de mis ten afscheid sympathiek verslagen. Niet minder doen dat vandaag Trouw en Het Parool.

In 's-Hertogenbosch spreek ik mijn biechtvader. Hij betrekt de wacht bij mijn eenzaamheid. Hij luistert naar mij. Hij geeft me zijn zakdoek en zijn zegen. Hij troost me in woorden van Thomas: Christus totum bonum Ecclesiae (Aan de Kerk is het volledig goede (alleen) Christus). En ik ben getroost. Hier in de nabijheid, in de schaduw van de kathedraal, ben ik geboren. Ik ga er altijd binnen, wanneer ik de stad aandoe of mijn ouders bezoek. Ik zoek welke ingang open is, maar de kerk is reeds om half vijf gesloten. Te vroeg.

Kort voor het avondmaal klop ik aan de poort van de abdij. Mijn huis is mijn burcht. Deze burcht geeft mij thuis. In pace in idipsum dormiam et requiescam (In vrede leg ik mij neer en aanstonds sluimer ik in), zingen de monniken in de Completen quoniam Tu Domine singulariter in spe constituisti me (want Gij alleen Heer laat mij zonder zorgen rusten). Mij vergaat het zo niet. Hoe lost zich op wat nu opgelost kan worden? Opdat wat nu gewonnen lijkt niet straks teloor gaat. Beslist maar kies, wel fel maar ook terughoudend. Ik pieker tot de ochtend.

Dinsdag 16 januari

Jezuïeten uit Het Haagse provincialaat, aangemoedigd door ordeleden uit Amsterdam, wilden de bezem door De Krijtberg halen. Zij zijn begonnen met bezemen, hetwelk niet onopgemerkt is gebleven. Hun bezemen heeft eergisteren tot een manifestatie geleid van verbondenheid tussen de gemeenschap van gelovigen en de priesters, jezuïeten op één na (A.B.). Tot nu hebben de verkeerden de bezem gehanteerd, stel ik vast. Niet de bezem moet door De Krijtberg blijkbaar, maar door de jezuïeten. Te beginnen door die in de naast de kerk gelegen pastorie. Ergernis moet nu een einde nemen. Tot bescherming van de door de kerkgangers gedragen, op Rome gerichte jezuïeten. Anders zal het tumult niet wijken maar verkeren in schande. Ik poog wellevend te blijven maar zal, indien nodig, niet schromen de mond verder te openen.

De monniken zingen Gods lof. De evangelielezing in de gezamenlijke mis - mijn eerste sedert maanden in de abdijkerk - doet mij ondanks vermoeidheid de oren vergroten: Farizeeën berispen Jezus omdat zijn leerlingen aren plukken op de sabbat. Zo staat het niet in de wet. “De sabbat is er voor de mensen, niet de mensen voor de sabbat”, krijgen zij als antwoord. Maar het gaat farizeeën niet om een vormfout, zoals dat tegenwoordig zou heten, maar om iets anders. “Elk succes haalt de strik om de hals van de jaloezie nauwer aan en de roem van degene die wordt benijd, is een hel voor de afgunstige”, weet Gracián, de jezuïet. “Een afgunstig mens sterft niet eenmaal, maar zo vaak als de bijval opklinkt voor hem die hij haat.”

De mooie bladzijde van De Krijtberg draai ik in dankbare herinnering om. Ik moet een artikel schrijven en een boek ter perse brengen. En ook slapen.

    • Antoine Bodar