Gratie

Mijn geluk kan niet op. Midden in de nacht lees ik op teletekst dat Mary Pierce is uitgeschakeld op de Australian Open. Nog wel door ene Elena Likhovtseva, ongetwijfeld een mijnwerkersdochter die op haar tiende van haar immer dronken vader zoveel slaag kreeg dat ze terug begon te meppen. Queen Mary droog afgeserveerd door een aangekleed steenpuistje: heerlijk.

Ik heb het Aranxta Sanchez nooit vergeven dat ze juffrouw Pierce, vorig jaar in Melbourne, haar eerste Grand-Slamtitel liet winnen. Pierce is een vrouw voor Adriaan Morriën, niet voor een tennisbaan. Haar getailleerde elegantie staat haaks op alles wat met sport te maken heeft. Dat gerek en gestrek van die rug, de geraffineerde klapjes op de dijen, het strelen van de paardestaart voor elke service en, het allerergste, het ostentatief in- en uitademen voor ze het balletje opwerpt, ik word er niet goed van. In de tijd die Pierce voor haar opslag neemt hebben de Russen een dorp gebombardeerd.

Mary Pierce is een van de vele prinsesjes uit Wales en die zijn er voor de bloemen, niet voor het spel. Alles aan haar ademt dure hangklokken, butlers en een zilveren bedsprei. Mij zou het niet verbazen als ze met een pince-nez tussen de benen loopt. Daarom: juffrouw Pierce moet aan het ballet. Onderwaterzwemmen kan ook nog. Als ze maar uit de buurt blijft van iedere vorm van competitie. Soms moet je mensen in bescherming nemen tegen hun eigen zweet.

Begrijp me niet verkeerd. Ik mag graag naar een mooi halsje kijken, wil zelfs ademloos meeruisen in het plooirokje van Gabriela Sabatini. Het hoofd van deze zigeunerkoningin mag er ook zijn: allesbehalve een vastgeschroefd dropshot. Maar een forehand moet een forehand blijven: strakker en vleziger dan de sensatie van een handkus. Vrouwentennis is een sport van grote voornaamheid. Dat mag. Maar als alles gratie en beleefdheid wordt, kijk ik liever naar twee pingpongende nonnen. Dan proef je tenminste nog het begin van verderf.

Met grote vreugde zal ik dit weekend in Thialf de verschijning van Gunda Niemann begroeten. De schaatskampioene uit de vroegere DDR heeft een leven achter zich gelaten van geprogrammeerde zelfverheffing als volksdeugd van zuiver kaliber. Gunda is ontheemd. Ze is, in tegenstelling tot Pierce, haar eigen butler, haar eigen hangklok. Het gezicht blaakt van ascese. Een schoonheid op het ijs is ze ook niet. Ik heb haar nog nooit zien zwaaien en zwieren. Een rug vol vierkante wervelingen, niets sluit, altijd rukken en zwoegen. Niet een keer een wijdbeense slag aan een elastiekje. Maar bij elke tussentijd spring ik op en het liefst zou ik haar dan een drinkbusje aanreiken.

Met Gunda Niemann wil ik me morgen onderdompelen in de broeierige onderstroom van Mahlers Kindertotenlieder. Met Mary Pierce wil ik niet eens onder de douche. Terwijl een beetje pooier juist het omgekeerde zou doen. Kennelijk lopen de wetten van schoonheid en tederheid in de sport niet parallel met die van de normale maatschappij. Zou Sharon Stone op een paar ouwe noren ook een andere vrouw worden? Kijk je dan anders naar de hoek van haar wenkbrauwen, de stand van het jukbeen, de dikte van de onderlip? Eens in een tennisrokje of in een schaatstenue neemt de beweging het over van de proporties. Dan ontstaat een ander soort erotiek, een andere uitstraling, een nieuwe hiërarchie van lijf en zinnen. Escalerende schoonheid in het voetenspel, niet meer rond de neus.

Laatst zag ik Yvonne van Gennip op de televisie. De kuiltjes in haar wangen waren nog steeds ontroerend. Ze deed ook echt haar best om het idioom van holle-bolle-meid niet helemaal los te laten. De gebaren waren even gracieus als het gekwetter en toch zag ik aan haar arm een boodschappentas wankelen. Ze straalde de onweerstaanbare rust en wijsheid uit van een toiletjuffrouw die achter een schoteltje met drop het einde van de nacht zit af te wachten - verdacht geluk.

Yvonne was een andere vrouw geworden, niet eens zoveel ouder, gewoon anders. Rijtjeshuis-achtig. Ik miste dat blauwe duikerspak. En jankte even om de wreedheid van het leven. Op het ijs bereikte haar schoonheid een apotheose. Hoger kan ze niet meer komen, zelfs niet in het kortste minirokje.

    • Hugo Camps