Euromunt heeft niet alleen maar voordelen

Japan en de VS zijn de grote tegenspelers van Europa op de wereldmarkt. De monetaire unie moet Europa sterker ten opzichte van die twee maken. Maar wie kiest voor de monetaire unie moet voorwaarden stellen aan de deelnemende landen, betoogt H. Visser. En dat pakt niet altijd plezierig uit.

Op de opinie-pagina stond een bijdrage van Roel Janssen waarin hij een krachtig pleidooi voert voor de invoering van de gemeenschappelijke Europese munt (NRC Handelsblad, 16 december). De tegenargumenten krijgen bij hem weinig aandacht. Ik denk dat de zaken niet zo eenduidig liggen. Er zijn argumenten voor de gemeenschappelijke munt te bedenken, maar ook heel respectabele argumenten tegen. En als we per saldo voorstander zijn, moeten we niet de ogen sluiten voor de risico's. Er zijn ongetwijfeld allerlei voordelen verbonden aan een gezamenlijke munt. Sommige zijn echter van betrekkelijke waarde.

Er zijn geen kosten meer van het omzetten van de ene valuta in de andere. Maar voor het bedrijfsleven zijn de tarieven toch al niet zo hoog, en vakantievierende particulieren hebben ook weinig last van het naast elkaar bestaan van verschillende valuta's sinds ze met hun pasjes terecht kunnen bij geldautomaten in het buitenland.

Het bedrijfsleven en beleggers hebben geen last meer van wisselkoerswijzigingen. Dat is heel plezierig, maar het empirisch onderzoek wijst (merkwaardigerwijs, dat geef ik toe) niet op een duidelijke negatieve invloed van wisselkoersfluctuaties op het volume van de internationale handel. Het bedrijfsleven kan blijkbaar leven met de risico's en heeft bovendien de mogelijkheid zich op de valutatermijnmarkt in te dekken. Beleggers kunnen door spreiding van hun portefeuille ook zonder al te veel kleerscheuren door turbulente periodes heenkomen. Wel een onmiskenbaar voordeel is dat er geen schoksgewijze omvangrijke wijzigingen in de reële wisselkoersen (de wisselkoersen gecorrigeerd voor de prijsniveaus in de verschillende landen) binnen het gebied van de monetaire unie meer optreden, waarmee de druk van de zijde van het bedrijfsleven om met het oog op de dure gulden' allerlei speciale voorzieningen (verkapte subsidies) te krijgen, afneemt.

Aansluitend op het vorige punt: in een monetaire unie kan er eindelijk echt een gemeenschappelijke agrarische markt komen, en zitten we niet meer met al die dure en ondoorzichtige maatregelen die steeds genomen moeten worden omdat men terugdeinst voor een level playing field op agrarisch gebied. Dus niet meer het gedoe, eerst met monetair compenserende bedragen en nu met toeslagen, voor agrariërs in verband met, wederom, 'de dure gulden'.

De informatie die prijzen geven wordt gemakkelijker te verwerken, waardoor de doorzichtigheid van de markten verbetert en de bedrijfsadministratie eenvoudiger wordt.

Er zijn ook argumenten die tegen een gezamenlijke munt pleiten. Het voornaamste is dat een gezamenlijke munt betekent dat men de wisselkoers als beleidsinstrument kwijtraakt. Een uit de pas lopende concurrentiepositie van een regio moet dan gecorrigeerd worden door een aanpassing in de lonen of door migratie van produktiefactoren. Men kan slechts hopen dat het eerste lukt en het laatste niet nodig is. Migratie kan leiden tot wegtrekken van het ondernemende en gezonde deel van de bevolking uit een regio. Daardoor kan een negatieve spiraal in werking treden: er zijn niet meer voldoende inkomsten om gemeenschapsvoorzieningen te betalen en dat leidt weer tot additionele migratie. De Mezzogiorno in Italië is het niet zo lichtende voorbeeld. Als zo'n neergang zich binnen de Europese Unie gaat voordoen, kunnen er claims komen op omvangrijke inkomensdrachten van rijkere naar armere regio's.

En loonflexibiliteit, zit dat erin? De ervaringen met de Duitse eenwording zijn wat dat betreft niet erg hoopgevend en als de Europese eenwording met zich brengt dat vakbonden internationaal gaan opereren, kan de roep om 'gelijk loon voor gelijk werk' nog voor een hoop narigheid zorgen.

Er zijn ook politieke motieven om een monetaire unie te vormen; die zijn misschien wel doorslaggevend, zoals Janssen ook betoogt. Sommige van die motieven zijn zeer achtenswaardig, andere minder. Janssen stelt: “De euro-landen kunnen zich sterker opstellen ten opzichte van de twee andere grote valutablokken in de wereld, die van de Amerikaanse dollar en de Oostaziatische yen.” In Franse verkiezingscampagnes zien we dat argument smakeloos verbeeld op posters waarop Europa zich sterk maakt tussen Uncle Sam en een Japanse worstelaar, die kennelijk als bedreigingen moeten worden gezien. Maar in welk opzicht maakt een monetaire unie Europa sterker ten opzichte van die andere twee, en als ze Europa sterker maakt, waartoe dient dat dan? Degenen die dit argument hanteren zouden zich minder in vaagheid moeten hullen.

Als men kiest voor de monetaire unie moet men voorwaarden stellen aan de deelnemende landen. We stuiten hier op de convergentiecriteria. De grens van 3 procent van het bruto binnenlands produkt voor het budgettekort van de overheid en van 60 procent voor de uitstaande schuld is, zoals al vaak betoogd is, uit de lucht gegrepen. Een gevolg van deze criteria is dat overheden gedwongen worden om investeringen door de particuliere sector te laten financieren - en dat wordt nog erger als de Duitse wens om in normale omstandigheden niet verder te gaan dan een tekort van 1 procent gehonoreerd wordt. Zij zullen dus wegen en tunnels door particuliere kapitaalverschaffers moeten laten bouwen en gebouwen moeten huren in plaats van kopen. Het is best mogelijk dat daar in een aantal gevallen veel voor te zeggen is, maar het gevolg van de convergentiecriteria is dat men niet meer de keus heeft, althans slechts in beperkte mate. En wat te doen als de monetaire unie eenmaal een feit is? Duitsland propageert het opleggen van een boete, in de vorm van het aanhouden van een renteloos deposito, aan landen die zich niet aan de normen houden. Gelooft iemand werkelijk dat een land met budgettaire problemen ook nog eens bij voorbeeld een half procent van zijn bruto binnenlands produkt renteloos op een rekening in Brussel gaat aanhouden en gelooft iemand werkelijk dat de andere lidstaten van de Unie zo'n land het mes op de keel gaan zetten? Boterzacht, deze sanctiedreiging.

In de monetaire unie dient de Europese Centrale Bank te streven naar een inflatie van maximaal 2 procent. Dat lijkt waterdicht. Maar wat valt er tegen te doen als in de loop van de volgende eeuw directeuren van de Europese Centrale Bank uit landen die geen traditie kennen van monetaire stabiliteit, en dat zijn de meeste, op influistering van hun politieke leiders en aangespoord door de voorzitter van de Europese Commissie toch de monetaire politiek ondergeschikt maken aan andere doeleinden?

De Europese Monetaire Unie is een enorm experiment. Bij mijn weten zijn monetaire unies in het verleden alleen geslaagd als ze gepaard gingen met politieke eenwording of als er een duidelijke leider, een hegemoon was. De Monetaire Unie is dus riskant. Een van de methoden om het risico in te perken is het opleggen van budgettaire normen. Als er één kapitaalmarkt is, zo is de gedachte, dan zal een groot tekort van een land leiden tot een hogere interest. Echter: de opwaartse druk op de interest wordt gespreid. In plaats van een grote stijging van de interest op de kapitaalmarkt van het betrokken land krijgen we een minder grote stijging op de kapitaalmarkt van de unie. Er zijn dus negatieve externe effecten: de gevolgen van het grote beroep op de kapitaalmarkt worden deels door anderen dan de veroorzaker gedragen en de zondaar krijgt maar een beperkte rekening gepresenteerd. Dat zou de verleiding om grote tekorten te kweken groot maken, vandaar de budgettaire normen. De budgettaire normen zijn echter slecht gefundeerd en hebben onbedoelde neveneffecten (of misschien is de geïmpliceerde privatisering wel bedoeld, maar dat maakt haar niet minder discutabel). Anderzijds, als er normen moeten zijn, dienen ze eenvoudig en ondubbelzinnig te zijn, anders worden ze te gemakkelijk omzeild. Er zou al veel gewonnen zijn als een onverantwoordelijk lenende overheid geconfronteerd werd met een hoog risicopremie in de door de beleggers gevraagde interest, zonder dat de interest voor de anderen aanmerkelijk stijgt. In het verdrag van Maastricht werkt men wel in die richting door de opname van een no bail out clausule: een overheid met betalingsproblemen kan niet op de hulp van andere overheden rekenen. Geen zinnig mens die dat gelooft, gezien de manier waarop de EEG altijd de Grieken weer van middelen heeft voorzien.

Kunnen we in de Europese Unie niet afspreken dat overheden met financiële problemen als ze in Brussel aankloppen onmiddellijk naar het IMF doorverwezen worden? Dat zou de no bail out clausule geloofwaardig maken. Daarmee wordt de noodzaak om een strakke budgettaire norm te handhaven geringer. Landen kunnen meer voor zichzelf uitmaken hoe hoog ze het budgettekort willen laten oplopen en welke investeringen ze door de overheid willen laten verrichten. Onvoorzichtige overheden worden dan wel door de financiële markten afgestraft zonder dat de andere er onder hoeven te lijden. En verder kunnen we alleen maar hopen dat de Europese Centrale Bank zich aan haar statuten houdt en dat de loonvorming inderdaad flexibel blijkt.

    • Dr. H. Visser