Een zee vol verleden

NEAL ASCHERSON: Black Sea

306 blz., Jonathan Cape 1995, ƒ 47,25

Black Sea gaat alleen aan het begin en het eind over de Zwarte Zee zelf. Daartussen vertelt het van Neal Aschersons reizen in de omringende gebieden, en van een aantal van de volken die er in de loop der tijden gewoond hebben, te beginnen met de Scythen. Het idee dat de verschillende landen als een eenheid gezien kunnen worden omdat zij aan dezelfde zee liggen, is in de politieke praktijk nooit opgekomen. Dat is een idee voor dit boek, waarvan de onderdelen ook niet voorbeeldig saamhorig worden. Ascherson heeft historische kennis, wetenswaardigheden, indrukken en levenswijsheden bijeengebracht in een mengelwerk waarin de eenheid voornamelijk wordt gevormd door zijn persoonlijkheid.

Wel zijn er sub-eenheden die het karakter mee helpen bepalen, zoals de aanwezigheid van een Ascherson bij het begin en bij het eind van de Sovjet-Unie. Toen in maart 1920 de Witrussische troepen van generaal Denikin door het Rode Leger naar de Zwarte-Zeekust gejaagd waren, werd een deel van hen uit Novorossisk meegenomen op het Britse slagschip Emperor of India; een van de bemanningsleden was de vader van de auteur. In de nacht van 18 augustus 1991 zag hij zelf uit een bus met buitenlanders op weg naar Jalta bij een kruispunt een drukte van waakzame mannen en auto's met zwaailichten. Dat was in de buurt van Foros waar Gorbatsjov vakantie hield en de volgende dag afgevoerd bleek te zijn door de samenzweerders van generaal Janajev: de laatste poging om het uiteenvallen van de Sovjet-Unie te voorkomen.

Veelbetekenend voor de wereldgeschiedenis was de rol van de Aschersons niet; wel voor de zoon zelf, en het is te begrijpen dat hij erdoor geanimeerd werd bij het schrijven. Hij is op zijn onderwerp niet als nieuweling afgekomen: een deel van zijn journalistieke carrière heeft hij als correspondent in Oost-Europa doorgebracht. Daarna is hij politiek columnist geworden, bij de Observer, de laatste jaren bij de Independent on Sunday.

De Sovjet-geschiedenis heeft maar een bescheiden ruimte ter beschikking in dit boek waarvan het verhaal bijna drieduizend jaar geleden begint, met de vestiging van de Scythen in Zuid-Rusland. Een lezer die over al de hoofdstukken terugkijkt, zal meer worden beziggehouden door de Griekse aanwezigheid - de vestigingen aan de noordkust in de vijfde eeuw voor Christus, de rol van Trebizonde aan de Turkse kust van 1200 af; door de Sarmatiërs die de Scythen verdrongen en later zelf verdreven werden door de Hunnen; door de wisselvallige geschiedenis van Odessa sinds de stichting; door het verdriet van Abchazië na de vernietigende oorlog met Georgië in 1992-1993; en door de zee die er slecht aan toe is.

Aschersons aandacht voor de Sarmatiërs typeert zijn onsystematische zwerftocht door de Zuideuropese geschiedenis. Toen dat volk in de loop van de derde eeuw van de Zwarte-Zeekust op Pools gebied was aangekomen, schrijft hij, ging het er een leidende rol vervullen en op den duur de levensstijl van de Poolse aristocratie bepalen. Dat werd tenminste later door aanzienlijke Poolse families geloofd, en het is onlangs door de archeoloog Tadeusz Soelimirski bevestigd. En wat doet het ertoe of die Polen zich Sarmatisch voelden? Een van de consequenties was dat zij gesterkt werden in hun exclusivisme tegenover de rest van de bevolking, in de Franse revolutietijd de Russen te hulp riepen tegen het democratische gevaar en daarmee de Poolse onafhankelijkheid vernietigden.

Trabzon

De belangstelling van Ascherson voor het ruige leven van Odessa in 1820 zou buiten proportie zijn als hij alle drieduizend jaren van het Zwarte-Zeegebied wilde overzien, maar hij doet waar hij zin in heeft. De westkust, Bulgarije en Roemenië, komt haast niet ter sprake, na een herinnering aan Ovidius die aan het begin van onze jaartelling als balling aankwam in Tomi, nu Constantsa.

De Turken, die toch de hele zuidkust in beslag nemen, zijn ook overgeslagen en moeten in stilte toezien hoe Ascherson geboeid wordt door een buitenlandse vestiging op hun gebied, van de Grieken in Trebizonde. De geschiedenis van die kleine subcultuur begon in 1204 toen Trebizonde als uitwijkplaats diende voor de Byzantijnse keizer en duurde tot 1922 toen de Grieken, zoals zij zich na zevenhonderd jaar nog stees noemden, uitgewezen of uitgewisseld werden door Kemal Ataturk. De stad die nu Trabzon heet, rijk aan Griekse gebouwwen, heeft precies wat een geschiedenistoerist als Ascherson zoekt. De Zwarte-Zeekust is op allerlei plaatsen meermalen van beschavingskarakter veranderd sinds de Scythen; nergens is zoveel verleden herkenbaar gebleven als in deze haven in het zuidoosten (Istanboel telt niet mee; dat ligt aan het zuideinde van de Bosporus).

Treuriger is het geval van Abchazië, de kleine ex-Sovjetstaat die bijna verwoest is door het Georgische leger drie jaar geleden. De hoofdstad Soechoemi, en Odessa, duizend kilometer naar het noordwesten, zijn van al de plaatsen die Ascherson beschrijft de twee somberst uitziende. Veelbelovend voor de welvaart en de levensvreugde van de bevolking zijn de toestanden rondom de Zwarte Zee zelden of nooit. De bewoners kunnen zich er beter hun verleden bij voorstellen, dan ontdekken zij in de verbeelding tenminste de ruimte die hun in de praktijk niet gegund is.

Het kan nog erger worden. In de Zwarte Zee leeft allang niets meer onder de tweehonderd meter diepte, waaronder nog veel meer water zit (tot zevenhonderd meter toe volgens Ascherson, tot over de tweeduizend volgens mijn Times atlas). Vele kleine en vijf grote rivieren (waaronder de Donau en de Dnjepr) voeren meer organisch materiaal aan dan de besloten waterplas (met de Bosporus als enige uitgang) kan verwerken; daardoor is de diepte zuurstofloos geworden, verzadigd van dodelijke waterstofsulfide.

De bovenste tweehonderd meter was vanouds een visrijke zee waar de omwonenden profijt van trokken, maar de laatste tijd is daar gevaarlijke menselijke schade in aangericht door overbevissing en door vervuiling van de rivieren. Nu en dan is geopperd dat de dode onderzee zou stijgen en dat er een omkering van de watermassa's van kan komen: het dode water bovenop, zoals in sommige meren van de wereld geregeld voorkomt. Het zou een natuurramp worden, maar ook hier zijn deskundigen te vinden die verzekeren dat het zal meevallen. Wie weet, zegt Ascherson, zullen de bewoners door de dreiging eindelijk tot samenwerking worden gebracht.

Dat is zijn bescheiden optimistische slotakkoord aan een boek dat de mensheid vooral laat zien als concurrenten en opportunisten, soms verrast door periodes van orde en welvaart. Toch is hij een opwekkende auteur, niet omdat hij de wereld aanmoedigend voorstelt, maar omdat hij de reislust prikkelt. Wat hij doet is het ware reizen: onderzoeken, ondervragen, door het havengebied zwerven, gammele autobusdiensten benutten, inwoners ontmoeten, naar huis terugkeren en beseffen dat er nog te veel ontbreekt, opnieuw gaan, uit andere hoeken kijken. Het is het grote voordeel van het journalistenvak, dat in elk geval het benaderen van de mensen vergemakkelijkt. Zoals Ascherson het doet moet het gedaan worden, en zijn boek, al springt het van de hak op de tak, zal bijna alle lezers iets wijzer maken.

    • J.J. Peereboom