Des prinsen wellust

S.R.E. KLEIN: Patriots republikanisme. Politieke cultuur in Nederland (1766-1787)

340 blz., geïll., Amsterdam University Press 1995, ƒ 69,50

De prins is “nog bijsonder kinderagtig en frivool”, tekende een Utrechtse edelman in 1780 op uit de mond van een lid van het hof. De prins was stadhouder Willem V, inmiddels ruimschoots in de dertig, en de edelman was G.J. van Hardenbroek, die in zijn 'gedenkschriften' diverse roddels over Willem V noteerde. Soms kwam de informatie rechtstreeks van de prins zelf. Van Hardenbroek werd door Willem V bijvoorbeeld tot vervelens toe onderhouden over zijn gevoelens voor de twintigjarige freule Stans van Lynden. De prins bekende dat hij zijn aandacht nauwelijks bij de staatszaken kon houden en voortdurend aan haar dacht. Hij zei dat hij haar ook veelvuldig schreef: “steets brieven van bladeren vol, waerin ik aen haer ontdekte al wat op mijn hart lag”. Van overspel was echter geen sprake. De stadhouder liet Van Hardenbroek weten dat hij nooit verder was gegaan “dan eenmaal haer hant te soenen”. Zijn gevoelens voor de freule waren bepaald niet geheim, en Willem V deed er alles aan om te bereiken dat ze in Den Haag voortdurend onderwerp van gesprek bleven. Van Hardenbroek had vernomen dat de prins had aangekondigd: “nu sal ik mij eens houden alsof ik amoureus waere van juffrouw Van Lynden”, want aangezien zij doorgaat voor “geensints fraaij maer lelijk, sal men daerover des te meer verwondert wesen”.

Dit soort aantekeningen zouden door beoefenaars van de politieke geschiedschrijving tot voor kort zijn afgedaan als roddel of 'petite histoire', aardig, maar niet van wezenlijk belang. Tegenwoordig hoeft een zichzelf respecterende historicus dergelijke verhalen niet meer weg te stoppen in voetnoten. Hij kan namelijk zeggen dat ze van belang zijn voor de 'politieke cultuur'. Maar om niet de verdenking op zich te laden dat het begrip politieke cultuur als dekmantel dient voor 'een traditionele, verhalende geschiedschrijving', is het natuurlijk altijd verstandig te verzekeren dat anekdotes niet zomaar worden opgenomen: “Kleine feiten verdienen pas vermelding, wanneer zij in een duidelijk verband kunnen worden geplaatst.”

De anekdote over de 'amourette' van Willem V kon in de dissertatie van de Utrechtse historicus Stefan Klein uitgebreid worden verhaald, omdat de politieke cultuur van de patriottentijd zijn invalshoek was. In Patriots republikanisme, een studie over de opvattingen van de patriotten, heeft politieke theorie een plaats gekregen als onderdeel van de politieke cultuur, en komen ook aspecten als vijandbeelden, taalgebruik en visies op de vaderlandse geschiedenis aan de orde. Willem V figureert voornamelijk als vijand, en de anekdote over Stans van Lynden wordt gebruikt om te laten zien hoe de patriotten de kwestie benutten om Willem V voor te stellen als corrupt en losbandig. Dat gebeurde in termen die kort tevoren nog ondenkbaar waren geweest, zoals in het pamflet 'Het gestoorde naaijpartijtje van Willem de Vde'.

Willem V werd steeds vaker voorgesteld als een 'brooddronken, verzoopen en wellustigen vorst', onder meer in de spotprent die het omslag van Kleins proefschrift siert, waarin de prins staat afgebeeld als een Bacchus, die uit Engeland ontvangen smeergelden uitdeelt aan de grootvader van de freule, die zelf ook in de afbeelding figureert, wijzend op haar boezem, terwijl ze haar rokken optilt.

Klein baseert zich voornamelijk op pamfletten en andere produkten van de politieke pers. Hij meent dat niet alleen de toon daarvan, maar de hele politieke cultuur grondig veranderde tijdens het stadhouderschap van Willem V. Zowel regenten van de traditionele republikeinse richting, de 'staatsgezinden', als de meer democratisch georiënteerde politici keerden zich tegen Willem V, die steeds meer werd gezien als vorst in een republiek. De democraten ontwierpen daarbij een nieuw soort republikanisme, waarmee men veronderstelde de politieke en economische problemen van de Nederlandse staat te kunnen oplossen. Klein geeft toe dat hun republikanisme als politieke filosofie geen schoonheidsprijs verdient, maar als politiek-cultureel verschijnsel acht hij hun opvattingen toch de moeite waard. Hij ziet het republikanisme van de patriotten zelfs als een variant die fundamenteel verschilt van de staatsgezinde versie die eraan vooraf ging en de liberale versie die erop volgde. Het is een elegant antwoord op de vraag naar het al of niet moderne karakter van het patriottisme.