De bevrijdende lach van het klootjesvolk

De conférence van Youp van 't Hek, het Filmpje van Paul de Leeuw en de nieuwste schlager van Vader Abraham - je zou ze voorbeelden van banalisering kunnen noemen.

Volgens Cas Wouters is het de brede acceptatie van de humor die eens het voorrecht van een culturele elite was.

Aan de ongeschreven geschiedenis van spotprenten en grappen die koningshuis en seks combineren heeft Youp van 't Hek met zijn oudejaarsconférence een episode toegevoegd. Dat deed hij met het verhaal dat wij niet meer te choqueren zijn - hooguit als we van het Damrak komend op de Dam bij het Nationaal Monument prins Willem Alexander zouden zien die zijn moeder bevredigt. In de jaren zestig zou daarop onmiddellijk het bordje storing zijn verschenen, en er zou een nationale rel zijn uitgebroken. Nu is er een nationale roddel, meer niet. Verder dan het oordeel 'smakeloos' gaat de reactie niet. Hetzelfde geldt voor reclameposters zoals 'Is er nog koffie na de dood?', 'Twijfel niet, Hij is er' of die waarop een jonge vrouw in een minirokje seksueel de leiding heeft genomen door een been om hem heen te slaan, zijn overhemd te openen en zijn onbehaarde borst te ontbloten.

Nog maar dertig jaar geleden zouden politici en politie in naam van het leven, de religie en het gezin hebben ingegrepen. Niet alleen is nu toegestaan wat toen niet mocht, ook zijn de morele termen in de discussie over de grenzen van het toelaatbare grotendeels vervangen door esthetische. De ontwikkeling kan wellicht in de volgende twee voorbeelden worden samengevat: in de jaren zestig werd een vervolging ingesteld wegens het in het openbaar colporteren van Veldhoens rotaprenten van copulerende paren - van hoge kwaliteit, terwijl onlangs de maker van het lied 'als je inlegkruisje maar goed zit' naar de rechtbank dreigde te lopen omdat het door radio 2 als te smakeloos wordt geboycot.

Ook in de discussie over films als Flodder en de recente rolprent van Paul de Leeuw gaat het vooral over smaak - getuige bijvoorbeeld het stukje van Max Pam over de smakeloosheid van Filmpje. En inderdaad, de humor in die film kan worden getypeerd met de scène waarin De Leeuw als dikke blanke man in gevecht met een dikke zwarte vrouw door een modderbad rolt. Op dat niveau gaat het bijna alleen om seks en geweld (inclusief seksueel geweld). De lachlust wordt gewekt door de achteloosheid waarmee verwoestingen worden aangericht bij valpartijen over de huizen en straten van Madurodam, door de onverschilligheid waarmee lijkkisten in een gat worden gekieperd, of door de wreedheid waarmee eetwaar in de vorm van een enorme piemel in een mond wordt gedreven. Paul de Leeuw hangt de beest uit op een manier die zegt: 'Wij zijn een beest in het diepst van onze gedachten'.

In het deel van zijn oudejaarsconférence waarin het verhaal voorkwam dat nog maar kort geleden als majesteitsschennis en pornografie zou zijn ervaren, appelleerde Youp van 't Hek aan dezelfde emoties, terwijl hij ze bespotte. Zo maakte hij reality-tv belachelijk door een rubriek te verzinnen die 'de euthanasie van de week' heet en schetste hij beelden van het uit de rails 'peuteren' van de resten van een kind. En hij maakte zelf reality-tv (met dubbele bodem?) door in de show te verklaren dat de verhouding met zijn vrouw ten einde is gelopen. Ach, het maakt niemand meer wat uit, wij zijn leger dan leeg, klaagde de cabaretier. Op zijn theatrale uitroep 'de wereld gaat kapot' liet hij iemand reageren met 'busje komt zo'. Van 't Hek zei het volk belachelijk te willen maken om ze wakker te houden en ook om te verhinderen dat ze 'met zijn allen van de zaak' naar hem komen kijken. Maar, niet alleen is dat volk nauwelijks nog te choqueren, tot op steeds grotere hoogte geldt zelfs het tegendeel: hoe choquerender, des te hoger de kijkcijfers. De houding van de man die riep “Mien, kom gauw kijken, ze zijn weer aan het kwetsen”, een grap van Peter Vos in Vrij Nederland uit de jaren dat er een soort omgekeerde beeldenstorm plaatsvond, lijkt algemeen te zijn geworden. Aan die 'wet' kan ook de cabaretier niet ontsnappen, luidde Youps boodschap, en in aansluiting daarop vertelde hij het inmiddels nationaal bekende verhaal. Pal daarna zong hij een liedje met een excuus-filosofietje: over hoe we tegenwoordig voortstrompelen, 'verdord, verdoofd, zonder gevoel.... wat is in godsnaam nog ons doel.' Kennelijk diende deze cultuurkritiek als smoes voor het celebreren van precies de cultuur die werd gekritiseerd.

Dat beest, dat kind of die god die zich zo onverschillig en wreed laten gaan: wat voor type helden zijn dat eigenlijk? En wie worden erdoor aangesproken? Misschien zijn dit type helden en grappen wel een directe afrekening met een oud en star geweten en de daarbij horende klakkeloze gezagsaanvaarding. Geldt de wrede onverschilligheid tirannieke gewetensfuncties en dient dat beest-kind-god ter versterking van ik-functies: zélf denken, zélf bepalen? In ieder geval bedienen De Leeuw en Van 't Hek een publiek dat leeft in verhoudingen en onder verplichtingen die geen klakkeloze gezagsaanvaarding noch een domweg koersen op een eenvoudig innerlijk kompas meer toelaten. Die verplichtingen staan ook zeker geen onverschilligheid toe. Het is ook een breed publiek dat dit soort fantasieën als uitlaatklep apprecieert en 'uit zijn bol gaat': tussen 14 december en 13 januari trok Filmpje 880.000 bezoekers en in de kerstvakantie versloeg Filmpje zelfs James Bond. Tevens is het een publiek met een ontwikkeld oog voor de scheidslijn tussen verbeelding en werkelijkheid, want in de dagelijkse verhoudingen van gezin en werk is de gevoeligheid zodanig toegenomen dat ze daar eerder gemakkelijker dan moeilijker zijn te choqueren en te kwetsen.

Nog in de jaren zestig heerste er een grote angst dat dit soort gewelddadige fantasieën onvermijdelijk zou uitmonden in daden. Dat is niet meer zo. Tegenwoordig worden die 'negatieve' emoties in het bewustzijn en in de openbaarheid toegelaten zonder angst voor straffende autoriteiten. Er heeft een collectieve ontdekkingsreis plaatsgevonden naar de onbekende wateren van het zieleleven die zich uitstrekt van Freud tot Oprah Winfrey en die ook in de 'grenzeloosheid' of banaliteit van de hier besproken grappen tot uiting komt.

Deze emancipatie van emoties impliceert dat het niveau van de wederzijds verwachte zelfbeheersing is gestegen. Een andere aanwijzing daarvoor is de vanzelfsprekendheid waarmee grappen over minder machtige groepen zoals vrouwen of vreemden achterwege blijven, althans in de openbaarheid. Dat is geen kwestie van smaak alleen. Het mag een oude traditie heten om gevestigde machthebbers en hun organisaties met spotprenten en schotschriften te bespotten en te provoceren, het is al evenzeer een traditie om de zwaardere termen discriminatie, racisme en seksisme te gebruiken als het venijn zich richt tegen mensen of groepen die tot de onderlagen van de samenleving behoren. Zulke grappen zijn taboe gebleven. Zoveel onverschilligheid is er dus niet.

De ontwikkeling van 'Zo is het toevallig....' via Sjef van Oekel, Fred Haché en andere creaties van Wim Schippers naar Paul de Leeuw en de cultuur van keihard de leukste kan als banalisering worden geschetst. Die banalisering houdt tevens in dat de mentaliteit van Provo en VPRO zich als een zinkend cultuurgoed over vrijwel alle lagen van het Nederlandse volk heeft verspreid. De these van het zinkend cultuurgoed, ook bekend als het trickle down effect, werd al meer dan honderd jaar geleden door Gabriel Tarde gevat in de metafoor van de watertoren: waar ook een idee of produkt wordt ontwikkeld, meestal moet het eerst naar boven worden gepompt, dat wil zeggen door bovenlagen geaccepteerd, alvorens het zich onder brede bevolkingslagen kan verspreiden. Welnu, de bedoelde banalisering betekent dat de Provo- en VPRO-mentaliteit uit respectievelijk de jaren zestig en zeventig in gebanaliseerde vorm in enkele decennia is overgenomen door de nazaten van het 'klootjesvolk' - door de sociale erfgenamen van precies die mensen die zich destijd door de Provo-mentaliteit zeer gekwetst en gechoqueerd voelden.

In de kringen rond Provo was het gangbaar om zich tegen het 'klootjesvolk' af te zetten wegens hun klakkeloze gezagsaanvaarding, hun aldoor in de pas lopen en wegens de beperktheid van hun verlangens tot materiële zaken: wat meer dan de buren. Een verlangen naar de buurvrouw? Nee heer, zíj niet; een rigide gewetensvorming stond het niet toe. Doorgaans reageerde het 'klootjesvolk' dan ook gekwetst en gechoqueerd op het verzet tegen de gevestigde orde en de dito moraal, net als de representanten van die orde en anderen die zich ermee vereenzelvigden. In die aanvallen zagen zij een hellend vlak naar de afgrond van de totale anarchie.

Het klootjesvolk is niet meer, maar onder hun nazaten en sociale erfgenamen kunnen tegenwoordig de grondvormen van de aan Provo toegeschreven iconoclastische mentaliteit worden waargenomen. Geheel volgens de cultuur van keihard de leukste bestaat het kijkgenot van Filmpje eruit dat bekende Nederlanders anderhalf uur lang met alles van waarde gooien en smijten, en daarbij alles laten lopen, hangen en groeien. Wat eens bestudeerde nonchalance was, lijkt wrede onverschilligheid te zijn geworden. Als vorm van verzet is dat zeer ongericht: niet naar boven en ook niet naar beneden. Dat wekt de indruk van berusting, alsof het inderdaad allemaal niet meer uitmaakt. Maar het weerspiegelt vooral het gevoel zich te willen bevrijden van wrede verplichtingen, zowel sociale als psychische. Waar zou de bevrijdende lach om dit soort helden en grappen anders vandaan komen?

Tenslotte, Youp van 't Heks liedje eindigde met de regel dat we gevoelloos en onverschillig 'voortstrompelen, totdat 't hier ook oorlog wordt'. Nu lijkt mij het bestaan van een bedreigd gevoel (met oorlog als ultiem gevaar) een feit - de angst dat het verzet een richting krijgt en daarmee explosief wordt. Maar dat collectieve gevoel van bedreiging is pas in de jaren tachtig ontstaan, na een periode waarin grote groepen mensen er haast als vanzelf op vooruit gingen en het gevoel overheerste deel uit te maken van een uitdijend sociaal universum. Daarna veranderde de conjunctuur, werden er overal bezuinigingen doorgevoerd, en raakte iedereen weer sterker op zichzelf aangewezen voor wat betreft de handhaving of verbetering van positie. Daaruit is dat gevoel van bedreiging ontstaan. Het werd in de jaren negentig verder aangejaagd door de spanningen en conflicten rond het uiteenvallen van de USSR en Joegoslavië.

Waarschijnlijk staat vooral dit gevoel van bedreiging aan de wieg van de constatering dat de wereld en de mensen zoveel onverschilliger en gevoellozer zijn geworden: de angst is de vader van de gedachte. In de afgelopen decennia zijn de verhoudingen waaronder mensen in Nederland (en daarbuiten) leven zodanig veranderd, dat ze gehouden zijn scherper op zichzelf en op elkaar te letten, nuchterder te calculeren en een grotere bereidheid tot het sluiten van compromissen aan de dag te leggen. In dat proces zijn vrijwel overal in het rijke Westen de eens hoog verheven ideologieën en grote idealen - en daarmee ook 'grote' conflicten en oorlogen - grotendeels vervangen door meer pragmatische en flexibeler uitgangspunten. Datzelfde proces bevatte aanzetten tot relativering van de voorheen haast blinde verbondenheid en identificatie met gezin, geloof, nationaliteit, ras, klasse, sekse en dergelijke. Daarin een uitbreiding van gevoelloosheid en onverschilligheid te zien, lijkt mij net zo onzinnig als het koesteren van een weemoedig verlangen naar vroeger. Met de zin 'wie vecht nog voor een vroeger ideaal' gaf Van 't Hek toe aan zijn verlangen naar overgave, naar de tijd dat hij nog in Sinterklaas geloofde. Ik weet niet voor welk oud ideaal hij wil vechten, maar het lijkt mij dat hij zich daarmee keert tegen rationalisering, tegen onttovering of ontmythologisering en tegen bevrijding uit het juk van zowel sociale als psychische autoriteiten.

    • Cas Wouters