De aanhangers van Ali

JOHAN TER HAAR: Volgelingen van de imam, een kennismaking met de sji'itische islam

160 blz., Bulaaq 1995, ƒ 36,50

In het Westen heeft de shi'itische variant van de islam lange tijd minder aandacht gekregen dan de sunnitische hoofdstroming. Khomeiny en de Iraanse revolutie van 1979 hebben dat echter vrij drastisch veranderd en een stroom van publikaties op gang gebracht, waaronder het recent verschenen Volgelingen van de imam door Johan ter Haar. Zoals de auteur zelf terecht in zijn inleiding stelt, is ook zijn publikatie mede een gevolg van de belangstelling die is gewekt door de geboorte van de islamitische republiek.

De geschiedenis van de shi'a is overigens interessant genoeg. Na de dood van de profeet Mohammed in het jaar 632 ontstond een machtsvacuüm binnen de kersverse moslimgemeenschap. De opvolging was niet geregeld en stammen die nog maar kort daarvoor tot de jonge godsdienst waren bekeerd, begonnen te rebelleren. De kleine kring van intimi van de profeet, de 'helpers', besloot in onderling overleg een opvolger (kalief) aan te wijzen om de situatie het hoofd te bieden. De keuze viel op de gouverneur van Medina, Abu Bakr, die een militaire oplossing voorstond.

De keuze zowel als de procedure was echter zeer tegen de zin van de aanhangers van Ali Abi Talib, een neef en schoonzoon van Mohammed, die met diens dochter Fatima was getrouwd. Ali's volgelingen waren van mening dat de opvolging helemaal niet in onderling overleg behoefde te worden geregeld, naar hun inzicht kwamen alleen directe leden van Mohammeds familie daarvoor in aanmerking en had Mohammed ook bij zijn leven duidelijk een voorkeur voor Ali uitgesproken.

Truc

Hun protesten hielpen echter niet. Ali kwam pas 24 jaar later aan de beurt, nadat hij ook nog eens Omar en Othman had moeten laten voorgaan. Tot overmaat van ramp werd hij bovendien vijf jaar daarna via een truc onttroond door zijn rivaal Muawiyya, die het kalifaat naar Damascus verplaatste en de grondslag legde voor de erfelijke opvolging door leden van zijn Omayyidische dynastie.

Het is deze opvolgingskwestie die de oorzaak werd van een nog steeds bestaand schisma in de islam. Tegenover de meerderheid van sunnieten, die de situatie accepteerde zoals zij was, staat een minderheid die is voortgekomen uit de partizanen van Ali. Deze shi'ieten (van shi'at Ali = partij van Ali) erkennen de sunnitische kaliefen niet. Voor hen is er alleen sprake van Ali en een aantal van diens rechtstreekse afstammelingen, die in het shi'itische spraakgebruik ook niet kalief maar 'imam' (voorganger) worden genoemd.

Het onderscheid leidde tot een aantal verschillen in de 'juridische' onderbouwing van de sunnitische en shi'itische leerstellingen, die ervoor hebben gezorgd dat sunnieten en shi'ieten in 1400 jaar gescheiden ontwikkeling geleidelijk verder uit elkaar zijn gegroeid. Het verschil werd nog geaccentueerd door het feit dat de shi'ieten eigenlijk altijd een min of meer vervolgde minderheid binnen de grote islamitische gemeenschap zijn gebleven, waardoor ook belangrijke verschillen ontstonden in de 'belevingswereld'.

Afgezien daarvan is opmerkelijk voor de shi'itische islam, dat waar de legitimiteit van de elkaar opvolgende imams zo'n grote rol speelde, ook 'onderweg' nog de nodige disputen zijn gerezen met afsplitsingen als gevolg. De grootste groep, de zogenoemde 'twaalver-shi'ieten' (ruwweg de shi'ieten in Iran, Irak en Libanon) erkent een twaalftal imams, van wie de laatste zich in de tiende eeuw zou hebben teruggetrokken. Hij leeft in het verborgene voort en zal ooit weer verschijnen als de 'mahdi' (verlosser). Maar in afwijking van deze twaalver hoofdstroming ontstonden in de achtste eeuw, resulterend uit geschillen over de opvolging, achtereenvolgens de Zaydi's (tot in deze eeuw de heersende groep in Noord-Jemen) en de Ismaili's ('zevener-shi'ieten'), van wie nakomelingen vooral in Pakistan en India te vinden zijn (onder meer in de vorm van de volgelingen van de Agha Khan). Verder ontstond in de loop van de tijd een aantal heterodoxe sektes, waarvan sommige eveneens nu nog bestaan, zoals de Druzen (Syrië, Libanon en Israel), de Alawi's (Syrië) en de Alevieten (Turkije).

Ter Haar probeert in zijn als kennismaking bedoelde Volgelingen van de imam de politiek een beetje de politiek te laten en zich vooral te ontfermen over de wezenskenmerken van het shi'a-geloof. Geen geringe opgave om dat in 160 pagina's te doen, en wat mij betreft is het ook niet helemaal gelukt, te meer omdat Ter Haar niet uitblinkt door bondige formuleringen en zich nogal eens verliest in anekdotiek.

Het 'rijke shi'itische leven' moet het doen met wat doorkijkjes, onder meer over het belang van de passiespelen en de optochten ter herdenking van de martelaarsdood van Ali's zoon, de derde imam Hussein. Het belang van de filosofie, die bij de shi'ieten in hoog aanzien staat (anders dan bij de sunnieten waar 'falsafa' zo goed als gebannen is), wordt aangestipt, maar komt inhoudelijk niet uit de verf. Storende fouten zijn bovendien dat Ter Haar meldt dat Khomeiny begraven ligt in Qom (dat is de begraafplaats Behest e-Zahra bij Teheran) en dat hij in zijn opsomming van andere richtingen dan de twaalver shi'ieten de Zaydi's, het geloof van een meerderheid van de Yemenieten, buiten beschouwing laat.

Intussen kan Ter Haar natuurlijk toch ook niet om het fenomeen heen van Khomeiny en diens islamitische republiek. Wat hij daarover te berde brengt legt het in helderheid echter af tegen wat sommige andere auteurs hierover melden. Zo merkt hij op pagina 130 op dat het voorbeeld van Khomeiny ook bij sunnieten weerklank zou hebben gevonden: “Daarnaast hebben de ideeën van Khomeiny een zekere invloed gehad, niet in de laatste plaats omdat hij zijn opvattingen niet in shi'itische, maar juist in algemeen islamitische termen goot.” Anderen, onder wie Emmanuel Sivan (Radical Islam, 1985) verklaren het vrijwel totaal ontbreken van positieve responsen van fundamentalistische bewegingen in Egypte, Pakistan of Tunesië juist uit de karakteristieke verschillen tussen sunna en sji'a: het feit dat Khomeiny's concept van de almacht van een geestelijk leidsman, de 'vilayat al-faqih', gegrondvest is op de in de sunna onbekende hiërarchische opbouw van de clerus, en het feit dat de legitimiteit van Khomeiny's islamitische staatsmacht rechtstreeks is afgeleid van het imamaat van Ali en zijn opvolgers.

    • Maarten Jan Hijmans