Zo voorbeeldig

Op 28 januari 1942 kocht ik Der Zauberberg van Thomas Mann, een uitgave in dundruk, 938 bladzijden, zo elegant gemaakt dat ik mijn exemplaar verliefd in de hand neem al is het versleten. Ik kocht het van een joodse jongen met wie ik bevriend was en ik vroeg hem niet hoe hij eraan was gekomen. Het had iets pikants. Ik las graag literatuur van Duitse emigranten, verboden boeken, in de taal die ik mooi vond en die door de Duitsers zelf was verpest. Mijn vriend bezorgde ze. Kende hij mensen die ze opruimden omdat ze het bezit ervan gevaarlijk vonden?

Vlak voor mijn twintigste verjaardag Der Zauberberg. Het was, voor mij, de juiste tijd om het boek te lezen. Het speelt voor de Eerste Wereldoorlog, die wordt aangekondigd in hoofdstukken als 'De grote stompzinnigheid' en 'De grote geprikkeldheid', en ik liet, ten onrechte maar begrijpelijk, de stompzinnigheid en geprikkeldheid van voor de Eerste Wereldoorlog samenvallen met die van voor de Tweede Wereldoorlog, mij zo hartgrondig bekend. Ik voelde mij thuis in de roman, en voel me er nog steeds in thuis, al heb ik de filosofische discussies nooit begrepen. Ik wist bovendien dat ik zo zou willen schrijven en het niet zou kunnen.

Buddenbrooks, Tonio Kröger, Der Tod in Venedig, Der Zauberberg, Lotte in Weimar, Der Erwählte. De essaybundel Adel des Geistes. Thomas Mann was een voorbeeldig schrijver, in Hitlers jaren een voorbeeldige balling en opposant, en wat ik wist van zijn inspiratie, werklust, studiezin, discipline beschaamde me, zo voorbeeldig.

In juli 1955 kwam hij naar Nederland om in Amsterdam en Den Haag een rede voor te lezen, over Schiller. Ik was in Amsterdam onder zijn gehoor, ik weet het zeker, en herinner mij er niets van. Anderhalve maand later was hij dood. Ik herinner me niets van mijn emotie. Misschien had ik hem zo vaak op foto's gezien dat zijn verschijning in levenden lijve me onverschillig liet. Misschien had ik alles van hem geleerd en over hem gedacht dat ik kon leren en denken. Zijn dochter Erika's bericht over zijn laatste levensjaar, uit 1956, bevestigde in detail wat ik in het algemeen wist.

En toen begonnen in 1977 zijn dagboeken te verschijnen. Wij, zijn bewonderaars, waren geschokt. We hadden in autobiografische schetsen van hem gelezen dat zijn werk het resultaat was van een 'desondanks', en hadden zijn bekentenis beschouwd als ernstig en koket. Het was anders. We volgden van 1933 tot 1955 een kleinzerige, ijdele, angstige man die meestal geen raad wist met zichzelf. Inderdaad: desondanks schreef hij die prachtige boeken. Van roem, luxe hield hij. Vlak voor zijn 79ste verjaardag was hij rijk en bewoonde een huis in Zwitserland dat aan al zijn hoge eisen voldeed. Hij noteerde in zijn dagboek: “Verder veel post. Felicitaties. Waarmee? Ik ben zo bang voor de rest van mijn leven (-). Mijn gedachten zijn naar achteren gewend en zien bij vooruit kijken macabere en twijfelachtige feestelijkheden. Blij zou ik alleen kunnen zijn met een nieuw en veelbelovend werkplan. Maar waar is het? Ik lijd erg, weet ook dat ik verkeerd leef: de koffie na het opstaan, het roken.”

Hij heeft zijn leven lang een dagboek bijgehouden.

In 1933, hij was in Zwitserland, kon hij niet terug naar München en was bang dat het in Hitlers handen kwam. Er moet veel in hebben gestaan over een homoseksuele liefde. Openbaarmaking daarvan zou een catastrofe hebben betekend. Toen de schriften Duitsland waren uitgesmokkeld verbrandde hij ze opgelucht. Gelukkig is er iets van bewaard gebleven, uit de jaren van Der Zauberberg.

Hij kan bij het maken van zijn haastige, onzorgvuldige notities, heel vaak over trivialiteiten, niet aan uitgave hebben gedacht. En bepaalde toch dat de overgebleven delen twintig jaar na zijn dood gepubliceerd mochten worden. Wat stelde hij zich voor? Het beeld dat hij van zichzelf door zijn werk en zijn optreden had gemaakt werd verstoord. Niet een soevereine geest, niet een beheerder van humaan cultuurgoed kwam aan het woord, zelfs niet een amusante en diepzinnige verteller. De dagboeken zijn gênant eerlijk. Behoren ze tot 'het oeuvre'? Je leest ze als voyeur, gretig, verveeld, geïmponeerd, ontsteld. Na achttien jaar is het laatste deel verschenen. Jammer. Ik stel me iemand van twintig voor die nu begint Thomas Mann te lezen. Zijn leesavontuur zal wezenlijk anders zijn dan het mijne is geweest.

De jongen die mij op 28 januari 1942 Der Zauberberg verkocht, heeft de oorlog overleefd. Toen ik in mei 1945, bevrijd uit een Duits werkkamp, in Moergestel, bij Tilburg, weken moest wachten tot ik naar huis kon, zocht hij mij op, in Amerikaans uniform, als bode van mijn ouders in Rotterdam. Hij heeft me later nóg eens opgezocht. Hij was in Parijs fotograaf geworden, met een joodse Française getrouwd, en sprak thuis Frans. Hij vertelde dat hij zijn dochtertje van vijf op schoot had en haar liefkozend 'mijn kleine jodinnetje' noemde. Zij schudde van nee. Was het antisemitisme in zijn eigen huis doorgedrongen? “Dat ben ik niet”, zei ze, “ik ben je grote jodinnetje”.