Trouw vanaf de allereerste film; Biografie van goeroe Huub Bals

Het gevarieerde filmaanbod in de Nederlandse filmtheaters is voor een belangrijk deel te danken aan de hardnekkigheid waarmee Huub Bals ons vertrouwd heeft gemaakt met films uit onbekende landen van onbeminde regisseurs. Onlangs verscheen een biografie van Bals, de eerste 17 jaar directeur van het International Filmfestival Rotterdam.

Frans Westra en Jan Heijs: Que le tigre danse! Uitg. Otto Cramwinckel, 320 blz. Prijs ƒ 49,50.

Om Huub Bals - schoenmaat 50, 1 meter 96 en ver over de honderd kilo - kon niemand heen. Een paar jaar na zijn dood, in de zomer van 1988 door een tweede hartaanval, terwijl hij alleen thuis voor de televisie zat, viel zijn naam in een gesprekje met studenten, vrijwilligers van een regionaal filmfestival. Geen van hen kon de naam precies plaatsen: de voorganger van Emile Fallaux? Maar dat was toch een Italiaan? Om de godin van de onsterfelijkheid een handje te helpen, schreven Frans Westra en Jan Heijs, twee geestverwanten en voormalige medewerkers van Huub Bals (1937-1988), ter gelegenheid van het 25-ste International Filmfestival Rotterdam, een biografische schets van de man die het festival opzette en de eerste 17 edities droeg, en daarbij als een stier door de nationale en mondiale porseleinkast van de cinema heenbanjerde. Na een noodeditie in 1989 onder leiding van interim-directeur Anne Head, leidde de Italiaan Marco Müller twee keer het festival, zag het bezoek voor het eerst sinds jaren teruglopen en vertrok voortijdig naar Locarno. Dit jaar is het laatste van de vijf waarin Emile Fallaux het festival nieuw leven inblies en aanpaste aan de tijdgeest.

Bals had een zeer fijne neus voor nieuwe ontwikkelingen en talenten. Hij vertoonde de eindexamenfilm van Spike Lee (Joe's Bed-Stuy Barbershop: We Cut Heads). Maar toen dezelfde regisseur twee jaar later tot verrukking van de hele wereld debuteerde met de lange speelfilm She's Gotta Have It kwam die 'commerciële troep' het festival niet meer binnen. Aan andere regisseurs was Bals juist zeer trouw en de loyaliteit aan Rotterdam van door hem bij hun allereerste film al ontdekte grote regisseurs (Wenders, Jarmusch, Kieslowski, Greenaway, Fassbinder, Angelopoulos, Imamura, Chen Kaige, Zhang Yimou) is enorm.

Que le tigre danse!, de wens waarmee Joris Ivens een brief aan Bals eindigde, verwijst naar het logo van het festival, dat geen Gouden Leeuwen of Luipaarden uitdeelt, maar wel brult (en sinds vorig jaar toch ook Tiger Awards kent). Het gelijknamige boek bestaat voor het grootste deel uit een kroniek van de door Bals geleide festivals: vier keer de tweejaarlijkse Cinemanifestatie in zijn geboortestad Utrecht (1966-1972), elf keer Film International te Rotterdam (1972-1982) en dan nog zes edities van het slechts in naam en formele organisatiestructuur van zijn voorloper verschillende International Filmfestival Rotterdam (1983-1988). Daarnaast schetsen de auteurs een beeld van de jeugd van een in de Utrechtse volksbuurt wijk C opgegroeide volksjongen die geen hoge dunk had van zijn ouders. Toch sprong vader Bals, een handelaar in pens, met zijn spaargeld bij toen de allereerste manifestatie van zijn zoon, een te ambitieus gebudgetteerd jazzconcert van onder meer Bud Shank en June Christie, op een financieel debâcle uitliep.

In 1959, na zijn militaire dienst, trad Huub Bals in dienst bij het Utrechtse bioscoopbedrijf Wolff, als bedrijfsleider van de Camera-bioscoop en daarna als publiciteitsman. Ook daar kon Bals het niet laten feestjes te bouwen, stunts uit te halen en sommige films meer succes in Utrecht te bezorgen dan in Amsterdam. In 1966 resulteerde dit talent in de Cinemanifestatie, direct een doorslaand succes, vooral bij de filmcritici die in deze rumoerige ambiance het Nederlandse tehuis voor 'nouvelle vague' en andere filmische nieuwigheden van de jaren zestig aantroffen.

Bals was de man die Adriaan van der Staay, sinds 1968 directeur van de Rotterdamse Kunststichting, nodig had om Rotterdam te verlossen van het imago van provinciestad. Film, 'een democratisch medium', leek Van der Staay naast poëzie en architectuur bij uitstek geschikt om een internationaal en avant-gardistisch festival aan te wijden. Er werd een gezamenlijke filmnota geschreven en met flinke geldbedragen voor de manifestatie werd Bals weggelokt uit Utrecht, waar hij nog enige tijd directeur bleef van cultureel centrum 't Hoogt, het eerste Nederlandse 'filmhuis'.

Plakband

Bij de opening van de eerste editie van Film International, op 28 juni 1972 in Calypso, telde Van der Staay 17 bezoekers voor de première van Dariush Mehrjui's Iraanse film De postbode. 'Dat ga ik zo niet openen,' meldde kunstwethouder De Vos zijn hoogste ambtenaar en dus begon het festival zonder ceremonieel. Er werden dat jaar 4.500 stoelen bezet, ongeveer een derde van het bezoek aan de Cinemanifestatie. Het laatste festival van Bals, in 1988, telde 150.000 bezoeken, nu zijn het er ongeveer een kwart miljoen.

Over de manier waarop Bals zijn festival bestierde, bestaan veel tegengestelde opvattingen. In het laatste deel van hun boek interviewen Westra en Heijs een groot aantal betrokkenen in binnen- en buitenland. Noemt de een Bals een gesloten man, met wie je moeilijk in contact kwam, een ander prijst weer z'n hartelijkheid en openheid. Ook zijn eigen uitspraken over wat een filmfestival zou moeten zijn, spreken elkaar tegen. In 1972 zei Bals: 'Ik kies de film uit, maar ik ben geen volbloed programma-maker, ik ben een organisator. Ik moet aan alle kanten steun zoeken bij mensen die adviezen uitbrengen en die coördineer ik in feite. Ik blijf de grootste amateur van het gezelschap, de jongen die het met plakband en gluton aan elkaar moet lijmen. Ik zou doodnerveus zijn als ik dat programma in m'n eentje zou moeten bouwen, ik zou gewoon de know-how niet hebben. Ik moet geïnformeerd worden. Je kunt wel een festival maken van je eigen keuze, maar dat lijkt me erg gevaarlijk, met zoveel poen op de achtergrond.' En in 1980: 'Ik doe het niet meer alleen. Het is gegroeid tot een nauwe samenwerking tussen Monica Tegelaar (toen adjunct-directeur van het festival, nu onder haar meisjesnaam Galer verkoopster van programma's en formules bij Endemol - HB) en mij.' Maar wat wat zei de teamspeler in 1985, toen hij onder vuur lag wegens te hoge uitgaven in verhouding tot de inkomsten: 'Voor mij staat het als een paal boven water dat er op dit festivalschip maar één kapitein kan zijn. Wat de programmakeuze aangaat, kan er geen sprake zijn van zoiets als een collectief. Ik bepaal de smaak en ik bereis de wereld op zoek naar nieuwe filmontdekkingen.'

Het is waar dat Bals een snelle ontwikkeling had doorgemaakt van handig en genereus organisator tot internationale goeroe van de filmkunst. Het leidde tot veel gedweep in zijn omgeving en een zekere onverdraagzaamheid jegens van zijn lijn afwijkende opvattingen over film. Zo typeerde hij Amadeus als 'kakken zonder douwen' en Alex van Warmerdams alom geprezen debuut Abel als 'verkleed cabaret': 'Het publiek is niet de hoofdschuldige. Het wordt door de media tot dit soort keuzen gestimuleerd. Met eenzijdige berichtgeving kan het publiek het kaf niet meer van het koren onderscheiden.' Om zulke ongelukken te voorkomen, stelde Bals in 1986 VPRO-televisiedirecteur Roelof Kiers voor een maandelijks filmprogramma te beginnen 'dat juist moet helpen meer richting te geven aan de (Nederlandse) filmkritiek'.

Persoonlijk maakte ik een staaltje mee van Bals' scholingswerk. In 1980 deelde de festivaldirecteur mij in een café in Cannes mee me nooit meer serieus te nemen, omdat ik in een recensie bekend had me te hebben geamuseerd met Blake Edwards' komedie 10: “Dan houdt het op, dan valt er niets meer te zeggen!” Het dreigement van een banvloek werd niet volledig uitgevoerd, maar schoot me te binnen toen Bals in 1987 met trots aankondigde de film That's Life! op zijn festival te zullen vertonen: 'Geregisseerd door Blake Edwards, een man die er op de een of andere manier altijd toch bij gehoord heeft'.

Banvloek

Het incident staat keurig vermeld in Que le tigre danse! Westra (historicus, programmeur/directeur van het Groningse Filmhuis Liga 68 en voormalig bestuurslid van Bals' distributieorganisatie) en Heijs (nu filmproducent en uitgever van De Filmkrant, maar ook lang publiciteitsmedewerker en dagkrantredacteur van het Rotterdamse festival) hebben zich niet laten verblinden door hun bewondering voor Bals en alle tegenstrijdigheden en paradoxen naast elkaar laten staan. Het dichtst bij de waarheid komt wellicht Felix Visser, een persoonlijke vriend die weinig met film te maken had en melding maakt van Bals' 'verborgen agenda': 'Huub wilde graag de 'primus inter pares' zijn en een 'statement' maken. Het festival was ook een middel, het doel was hijzelf. Hij wilde iets laten zien en het maakte hem niets uit of hij daarbij mensen tegen elkaar op moest zetten. Hij was macchiavellistisch. Hij deed alles wat hij nodig vond om zoiets te creëren.'

Misschien is die instelling - een radicale behoefte om je publiek te behagen, in de hoop daardoor eindelijk serieus genomen te worden - wel de beste manier om een festival te maken. Van beide door Bals zelf geopperde modellen om te programmeren, in commissie met deskundigen of strikt op basis van persoonlijke voorkeuren, is de laatste wellicht de beste. Je moet daar dan wel eerlijk in zijn, zoals Bals was, wanneer hij zijn fameuze laatste argument inzette om een film te verdedigen of te verwerpen: hij voelde dat in z'n buik. Maar wanneer dat dan uit naam van hogere doelen gebeurt als 'de filmkunst' of zelfs op zeker moment 'de cinematografische samenzwering', dan liggen verkettering, inquisitie en andere tamelijk ongastvrije instincten op de loer.

Verschillende getuigen in Que le tigre danse! prijzen naast Bals' vermogen van het leven te genieten, zijn verbale vermogen. Dat leidde inderdaad tot kernachtig taalgebruik en puntige slogans (bijvoorbeeld de advertentietekst: 'Sommigen denken dat Mizoguchi, Ozu en Kurosawa automerken zijn. Wij niet.'), maar zelden tot een intelligente verdediging van zijn voorkeuren en afkeren, of van het beleid dat hij in Rotterdam voerde. Zonder veel woorden kon daar wel een internationale filmfamilie ontstaan, die zeer diep wortel zou schieten.

De invloed van Bals op de Nederlandse filmcultuur is daarentegen beperkt: hij heeft wel volgelingen gekregen, maar geen school gemaakt. De belangrijkste erfenis is het festival zelf, dat niet meer de unieke positie van weleer inneemt, maar nu een veel bredere publieksgroep aanspreekt, zonder op wezenlijke punten concessies te doen aan de programmering. Wat nu wel ontbreekt, is het persoonlijke, apodictische stempel dat iemand als Bals erop drukte. Het liberaal-tolerante Fallaux-klimaat kwam na de super-sectarische jaren van Müller (een schoolmeesterachtige karikatuur van Bals, zonder diens gevoeligheid en ironisch pathos) als een verademing en bevrijding.

Het zeer brede en gevarieerde filmaanbod in de Nederlandse filmtheaters is voor een belangrijk deel te danken aan de hardnekkigheid waarmee Bals ons vertrouwd heeft gemaakt met films uit onbekende landen van onbeminde regisseurs. Achteraf heb ik hem vaak gelijk moeten geven, na het eerst hartstochtelijk oneens te zijn geweest. Als, zoals uit Que le tigre danse! voorzichtig blijkt, persoonlijke waardering krijgen, inderdaad meer Bals' doel was dan het dienen van een met de mond beleden hoger cinematografisch heil, dan is hij daar bijzonder in geslaagd.

    • Hans Beerekamp