Oplossing voor Fokker naar Duits model?

Fokker wankelt. De voormalige nationale trots maakt 100 miljoen gulden per maand verlies. De fabriekshallen, die zijn gebouwd voor de fabricage van honderd vliegtuigen per jaar, zijn maar half bezet. De bedrijfsleiding denkt nu aan het overbrengen van activiteiten naar het buitenland om zo weer winst te kunnen maken. Dat is rijkelijk laat. Andere ondernemingen hebben de stap naar uitbesteding van dure fabricage al veel eerder gemaakt.

De problemen van Fokker staan niet op zichzelf. De totale industriële produktie van West-Europa wordt bedreigd door goedkope en slimme producenten in Azië, Amerika en Centraal-Europa. Het vroegere Wirtschaftswunder Duitsland is de grootste exporteur van arbeid ter wereld georden. In de periode 1985-1994 investeerden Duitse ondernemingen 167 miljard Duitse Marken meer in het buitenland dan buitenlanders in Duitsland. Dat investeringsoverschot stond gelijk aan 650.000 banen. Ook Nederland is een grote netto investeerder in het buitenland, maar anders dan hier leggen de Duitsers wél de relatie tussen investeren buiten de grens en het 'wegbrengen van banen'.

In de drie jaren 1991-1993 verzesvoudigden de Duitse investeringen in Oost-Europa. De Westduitsers pompten niet alleen de voormalige DDR, maar ook de landen ten oosten daarvan vol met Marken. Hongarije, Tsjechië, Polen en de andere centraal-Europese landen kregen voor 5,2 miljard Mark aan investeringen, waarmee volgens een publicatie van de Deutsche Bundesbank van mei vorig jaar in totaal 130.000 banen werden geschapen. In Zuid-Oost Azië creëeerden de Duitsers in dezelfde periode 29.000 banen, in de Verenigde Staten 33.000, precies evenveel als in de landen van de Europese Unie.

Veel bedrijven trekken oostwaarts omdat ze daar marktpotentie vermoeden. Belangrijkste reden voor de verplaatsing van produktiecapaciteit (en banen) vormen echter de loonkosten. Op de ranglijst van industriële arbeidskosten staat West-Duitsland al een aantal jaren onbetwist nummer een. In 1994 bedroegen de arbeidskosten in West-Duitsland volgens het Institut der deutschen Wirtschaft uit Keulen 43,97 DM per uur. Nummer 2 is Zwitserland, met 41,47 D-mark, nummer 3 België (37,35 DM). Nederland staat met 34,87 DM per uur op de zevende plaats.

Ter vergelijking: in het goedkoopste land van de Europese Unie Portugal bedragen de arbeidskosten een-vijfde van die in West-Duitsland. In Hongarije, het duurste centraal-Europese land, zijn ze gemiddeld 4,54 DM, precies de helft van die in Portugal. In het verre Maleisië (2,53 DM) en Thailand (2,66 DM) zijn de arbeidskosten nog eens de helft lager dan in Hongerije en China spant met 0,65 DM de kroon. Die laatste landen liggen echter veel verder weg, zodat de transport- en verzekeringskosten hoger zijn. Bovendien legt Europa ze hogere invoerheffingen op dan de aan de EU gelieerde Visegradlanden Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije.

Sinds 1970 zijn de arbeidskosten in West-Duitsland met 411 procent toegenomen. Nederland deed het met 356 procent wat rustiger aan, maar liep toch aardig in de pas. Een belangrijk deel van de kostenstijgingen werd veroorzaakt door de opbouw van de verzorgingsstaat. In West-Duitsland en Nederland maken wat de Duitsers Zusatzkosten noemen (belastingen, sociale premies) 45 procent van de totale arbeidskosten uit. De Verenigde Staten zitten met een aandeel van 30 procent al een stuk lager en in Midden-Europa moet de verzorgingsstaat nog worden opgebouwd. In Hongarije liggen de verhoudingen fifty-fifty. In Tsjechië bedragen de heffingen 1,21 DM op totale arbeidskosten in de industrie van 3,01 DM.

Nu wordt de concurrentiekracht van een land niet alleen door loonkosten bepaald. Er zijn ook andere factoren en daarop scoren de Midden-Europeanen heel wat minder goed. Verouderde produktiecapaciteit en slecht gemotiveerde arbeidskrachten zorgen volgens het Institut der deutschen Wirtschaft voor een laag produktiviteitsniveau. In Hongarije bedraagt de produktiviteit van industriële werkemers 20 procent en in Tsjechië nog geen 15 procent van die in de efficiënte West-Duitse industrie. Daar staat tegenover dat de werktijden in Polen, Tsjechië en Hongerije langer zijn. Als alles wordt meegerekend, dan is produktie in Hongarije ongeveer vijftig en in Tsjechië 60 procent goedkoper dan die in West-Duitsland.

Er zijn ook andere factoren, zoals bureaucratische hindernissen, het gebrek aan kwaliteitsbewustzijn en politieke onzekerheid die West-Europese bedrijven er nog van weerhouden om oostwaarts te trekken. Maar waar de financiële problemen groot zijn, zoals bij Fokker, daar breekt nood wet, gevoel en verstand. Zelfs als Fokker overeind blijft (eventueel na uitstel van betaling, of wederoprichting na faillissement) is het zeer de vraag of de 7.400 huidige werknemers in Nederland nog wel emplooi zullen vinden in de vliegtuigindustrie. Of ze moeten misschien naar Polen, Tsjechië of Hongarije willen verhuizen.

    • Frank van Empel