In Iran ontstaat het ene meesterwerk na het andere; De Franse producent Marin Karmitz over de invloed van Amerikaanse films

Hij maakte naam met de film Coup pour coup over een staking van fabrieksarbeidsters, en is nu een belangrijke Franse filmproducent. Marin Karmitz heeft de klassestrijd verruild voor een strijd voor de Europese filmtraditie, tegen de Amerikanen: “Waar Amerikaanse films hun intrede doen, verdwijnt de plaatselijke filmindustrie.”

Coup pour coup is op het International Filmfestival Rotterdam te zien op 25 jan 20u in 't Venster 2 en op 28 jan. 16.45u in Lantaren 1. Marin Karmitz: Bande à part. Uitg. Grasset, 263 blz. Prijs ƒ 46,-.

Niet de acteursprestaties in de collectieve film Coup pour coup dateren het kunstwerk. De fabrieksarbeidsters die in de film zichzelf spelen, opkomend voor hun rechten en betere arbeidsomstandigheden, dwingen nog steeds bewondering af, 25 jaar nadat Coup pour coup vertoond werd op het eerste Rotterdamse Filmfestival. Het is meer de strekking die Coup pour coup tot een ouderwetse film maakt: zoveel geloof in de klassestrijd komt men nergens meer tegen.

“De arbeidersklasse zoals de film die laat zien, bestaat eigenlijk niet meer,” constateert Marin Karmitz, regisseur van Coup pour coup, in zijn Parijse kantoor. Het was zijn derde film, en het geloof in de klassestrijd erin was geenszins toevallig. Karmitz onderhield in die tijd warme betrekkingen met de maoïstische beweging La gauche prolétarienne. Die beweging werd een jaar later opgedoekt en Karmitz gaf het regisseurschap eraan, moe van de problemen met de financiering van zijn eigen films. De tijden zijn wel veranderd: als directeur van MK2 - vernoemd naar zijn favoriete model Jaguar - leidt Karmitz nu het derde filmbedrijf van Frankrijk, met een jaaromzet van tweehonderd miljoen frank (zo'n 67 miljoen gulden) per jaar. Hij produceert (onder andere de cyclus Trois couleurs van Kieslowski), distribueert, koopt en verkoopt rechten en bezit in Parijs een keten van bioscoopzalen.

Het is dus vooral als filmondernemer dat de in 1938 in Roemenië geboren Karmitz ook dit jaar weer het Rotterdamse filmfestival zal bezoeken, en niet alleen omdat daar dit jaar alle films uit het eerste festival, waaronder ook zijn Coup pour coup, worden vertoond. Zich distantiëren van de film doet hij genentwege. Coup pour coup, zegt hij, is uitdrukking van zijn streven 'rechtop' te leven: “Je hebt mensen die alles pikken, en anderen die in opstand komen. Ik behoor tot die laatste categorie.” Zijn huidige rol in de filmwereld ziet hij als niet minder militant, dan die als regisseur in het verleden. In een vorig jaar verschenen autobiografie (genoemd naar een Godard-film, Bande à part) doet hij uitgebreid verslag van de huidige strijd: de verdediging van de, met name Europese, cinéma d'auteur, tegen de vijanden die haar bedreigen. Hoofdvijand: de Amerikaanse filmondernemingen met hun monopolistische tendensen, die behalve op de distributie ook steeds meer invloed krijgen op de inhoud van films. Karmitz schroomt in dit verband niet voor grote woorden: “We zijn daadwerkelijk in oorlog tegen de Amerikanen,” zegt hij.

De stakingsgolf in Frankrijk vorig jaar heeft hem aan Coup pour coup herinnerd, zegt Karmitz. “Er is in Frankrijk in al die jaren veel veranderd, natuurlijk. Frankrijk was voor en na mei 1968 [de legendarische revolte, red.] een veel rijker land dan nu, zowel materieel als intellectueel. De oude macht van de arbeidersklasse bestond nog en werkloosheid bestond nog bijna niet. De strijd van de stakers nu was een heel andere dan toen en Frankrijk, heb ik het gevoel, is een veel conformistischer land geworden. Maar gebleven is de vreugde onder stakers, die eindelijk in staat zijn het woord te nemen, in het openbaar te vertellen wat hen beweegt.”

Met vreugde las Karmitz dan ook een artikel in het dagblad Le Monde vorig jaar, waarin de Franse televisie werd aangespoord de stakers en hun motieven wat uitvoeriger in beeld te brengen 'zonder dat het nu meteen Coup pour coup-achtig hoeft te worden.'' De zinsnede was voor hem het bewijs dat deze, zijn derde film toch een beetje tot een nationale legende is geworden. En dat, terwijl Coup pour coup in al die jaren nooit op een Frans televisiestation is vertoond. Ook de meeste bioscoopexploitanten was Coup pour coup, waarin stakende en bedrijfsbezettende arbeidsters de klassevijand/directeur gijzelen, hem uitvoerig bespotten en daardoor hun strijd winnen, te gortig. Tot overmaat van ramp wordt in de film de vloer aangeveegd met de machtige, communistische vakbond CGT, wier vertegenwoordigers als verraders van de arbeidersklasse te kijk gezet worden.

De film heeft het in de jaren zeventig vooral van privé-vertoningen op lakens in fabrieken in staking moeten hebben, in een 16mm versie, terwijl de film op 35 mm was gedraaid. De Franse vakbond van advocaten was meestal organisator van dit soort voorstellingen, en had de kennis in huis om eventuele verboden te omzeilen. Bovendien, zegt Karmitz, leeft Coup pour coup voort wegens een remake van de film, die veel beroemder is geworden dan het origineel. “Tout va bien van Jean-Luc Godard uit 1972 is een bewerking van Coup pour coup. Waar wij ons best hadden gedaan onze kennis als intellectuelen in dienst te stellen van de arbeidersklasse, opdat deze zijn verlangens kon verwoorden, laat mijn goede vriend Godard intellectuelen zien die onder elkaar debatteren over hun engagement. Op deze manier geven de beide films een beeld van de richtingenstrijd in het intellectueel milieu na 1968.”

Karmitz' ouders waren kort na de oorlog naar Frankrijk geëmigreerd, onder andere uit vrees voor opkomend antisemitisme op de Balkan, en al op de middelbare school leerde de jonge Marin zowel het communisme, als de autoritaire trekken van de Franse communistische partij kennen. Hoewel hij zich als scholier inzette voor de partij-agitatie, zette de partijorganisatie hem al spoedig aan de kant, als te eigenzinnig en te ongezeggelijk. In de jaren vijftig ging Karmitz studeren aan de IDHEC (Institut des hautes études cinématographiques) in Parijs. Het waren spannende jaren van toenemend kunstzinnig (nouvelle vague) en politiek engagement.

Na de euforische 'macht aan de verbeelding' van 1968 koos Karmitz voor de gestrengheid van de revolte à la Mao, maar ook zijn betrekkingen met de kleine maoïstische beweging zijn niet altijd hartelijk verlopen. Aanvankelijk deed hij, met onder meer zijn vriend Serge July (thans hoofdredacteur van het dagblad Libération) vrolijk mee aan de redactie van het opruiende weekblad J'accuse, maar haakte af toen het weekblad werd omgezet in het veel dogmatischer La cause du peuple, dat op de voorpagina ikonen van Engels, Marx, Lenin en Mao voerde.

Tezelfdertijd had Karmitz evenwel al een bioscoopzaal geopend in de buurt van het Place de la Bastille in Parijs, toen - voor de bouw van de nieuwe Opera - nog een beetje een achterbuurt. Het bedrijf MK2 was geboren, en daarmee het terrein voor Karmitz' blijvende ongezeggelijkheid. Bande à part is voor het grootste deel gewijd aan Karmitz' strijd met het establishment in de Franse filmwereld, lopend van pogingen hem in te kapselen tot pogingen om MK2 als concurrent kapot te maken.

Karmitz doet verslag van nederlagen: het kleine commerciële televisiestation M6, waarin hij eens een belang had, is niet het onafhankelijke, cultureel-hoogstaande station geworden waarop hij had gehoopt, maar het voornaamste vehikel voor wegwerptelevisie in Amerikaanse stijl in Frankrijk. En van overwinningen: hij zegt met succes te hebben geageerd tegen een poging van Berlusconi, bijgestaan door de dubieuze bankier Paretti, door de overname van het Pathé-concern een groot aantal Franse bioscoopzalen in handen te krijgen. Karmitz' goede betrekkingen met de socialistische regeerders, zo mogen wij begrijpen, leidden tot de annulering van het overnamecontract.

Nog altijd is MK2, ondanks zijn groei door de jaren heen, gevestigd aan een armelijk ogende binnenplaats in de buurt van het Gare de Lyon. Niet alleen heeft MK2 de gang naar de glimmende paleizen in de buurt van de Champs Élysées, waar de concurrentie is gevestigd, niet gemaakt - ook het kamertje van de directeur is krap bemeten: met een schrijf- en een vergadertafel is het vertrek meer dan vol. “Wij willen nog altijd de marge zijn,” zegt Karmitz, “al zijn we dan rendabeler dan Pathé of Gaumont. Dat is opmerkelijk: in de marge wordt meer geld verdiend dan in het centrum.”

Vooral de produktie van de cyclus Trois couleurs van Kieslowski, in heel de wereld inmiddels door twaalf miljoen bioscoopgangers gezien, heeft bij MK2 veel geld in het laadje gebracht. Toch is het aantal bioscoopbezoekers voor het welslagen van een film als commercieel project nog maar van bescheiden belang, vertelt Karmitz. “Toen ik hier begon kon een project nog voor zo'n 90 procent bekostigd worden door de verwachte recette in de bioscoop. Nu is dat hoogstens twintig procent. De rest van de opbrengst moet uit andere bronnen komen. Vooral de verkoop van televisierechten is belangrijk geworden.”

De financiering van films, meent hij, wordt hoe langer hoe meer afhankelijk van distributiesystemen, eigenaren van televisiestations en anderen, waaronder zich een ontwikkeling naar monopolisering en mondialisering voltrekt. Voorop daarbij lopen de Amerikanen, die de Europese markt nodig hebben voor hun verdere ontwikkeling. En daar begint 'de oorlog'. “De Amerikanen sturen ons hun filminhoud. Lange tijd heeft de Amerikaanse filmindustrie zo'n beetje van alles geproduceerd: èn westerns, èn detectives, èn sociale films etc. Dat evenwicht is evenwel doorbroken. De Amerikaanse filmproduktie laat zich grofweg in twee genres onderverdelen: familiefilms waarin de waarden kerk, gezin en vaderland worden verdedigd (genre Forrest Gump) en films waarin geweld om het geweld wordt verheerlijkt. Die films zijn een pleidooi voor de waarden van het concentratiekamp, die films zijn een ontkenning van de waardigheid van de mens, en van de democratie.”

Karmitz is somber gestemd over de mogelijkheden om ondanks de invloed van de gemondialiseerde Amerikaanse distributiebedrijven nog waardevolle films te maken. “Als er al eens een waardevolle regisseur opstaat in Amerika, dan wordt hij door het systeem ingekapseld en van zijn inhoud ontdaan, zie Scorcese, zie Spike Lee. Alleen Robert Altman en Woody Allen slagen er nog in zich aan deze ontwikkeling te onttrekken, lijkt het, omdat zij welbewust aansluiten bij de Europese filmtraditie.

Een uitzondering is Iran. En waarom? Omdat Amerikaanse films daar verboden zijn, ze geen geld hebben en de ayatollah's er censuur uitoefenen. In Iran ontstaat het ene meesterwerk na het andere.''

Het mooiste zou natuurlijk zijn als in Europa door burgerzin deze ontwikkeling een halt zou kunnen worden toegeroepen, als bioscoopgangers, bioscoopexploitanten, filmmakers en anderen de eigen films en eigen inhoud favoriseerden boven de uit Amerika geïmporteerde. Maar bij ontstentenis van genoeg burgerzin, meent Karmitz, kan heil in dit opzicht vooral van de staat worden verwacht. De quota die Frankrijk hanteert ter bescherming van het vaderlands product in de bioscoop en op de televisie, en die het land ook op Europees niveau blijvend ingevoerd wil zien, stuiten bij hem dan ook niet op bezwaar. “Het minste wat we kunnen doen, is de Amerikanen niet de weg bereiden.”

    • Raymond van den Boogaard