In het aangezicht van de dood

Dat er na de dood van François Mitterrand allerlei onthullingen zouden komen over het leven van de grote regisseur van zijn eigen waarheid - dat was te voorzien. Maar zo gauw al? Hij ligt nog nauwelijks onder de grond of zijn huisarts vertelt dat hij al sinds november 1981 - een halfjaar na zijn aantreden als president - aan kanker leed.

Nu, wat dan nog? Hij heeft toch veertien jaar lang behoorlijk gefunctioneerd? Zelfs het laatste halfjaar, toen hij dat volgens zijn huisarts niet zou hebben gedaan, was er volgens Alain Juppé, toen zijn minister van buitenlandse zaken en niet bepaald een politieke vriend, niets te merken van verminderde helderheid.

Maar dat is het punt niet. Bij zijn aantreden had Mitterrand het Franse volk beloofd het elke zes maanden op de hoogte te zullen houden van zijn gezondheidstoestand. Hem stond het schrikbeeld van president Pompidou voor ogen, die de laatste maanden van zijn leven gepijnigd werd door botkanker, terwijl het publiek werd wijsgemaakt dat het om een griepje ging.

Weliswaar hield Mitterrand zich aan zijn belofte, maar de halfjaarlijkse bulletins vermeldden niet de waarheid, althans niet de volle waarheid. De kanker werd verzwegen. Le Monde spreekt dan ook, met andere bladen, van 'de leugens' van François Mitterrand. Nu, dan was mijn formulering van vorige week, dat de president wel eens de werkelijkheid vertekende, bijzonder kies.

Hoe het ook zij - bijna veertien jaar lang heeft hij de dood in de ogen gestaard. Was het daarom dat hij, vooral de laatste jaren, zo bezig was met het hiernamaals en dat niet verborg? Zo zocht hij enkele jaren geleden de ruim negentigjarige katholieke filosoof Jean Guitton thuis op, om hierover te praten.

En is het daarom dat hij, de agnosticus, steeds vaker zinspeelde op het katholicisme van zijn jeugd? Gevraagd naar wat hij hoopte dat God, als die bestond, hem zou zeggen wanneer hij aan de hemelpoort zou klopppen, antwoordde hij: “Nu weet je het.”

En al in 1973 zei hij: “Ik ben als christen geboren en zal ook als christen sterven”. In zijn slaapkamer hing een afbeelding van Franciscus van Assisi, en in zijn laatste testament, twee dagen vóór zijn dood geschreven, liet hij - met een typisch mitterrandisme, dat alle mogelijkheden openliet - weten dat bij zijn begrafenis 'een mis mogelijk' was. Het werden er twee: een in de Parijse Notre Dame en een in zijn geboorteplaats, Jarnac.

“Mitterrand was toch humanist? Waarom dan toch die missen?”, hoorde Jan Greven, hoofdredacteur van Trouw, over de radio een presentatrice aan de Parijse correspondent vragen, en hij was getroffen door het 'oer-Nederlandse' karakter van die vragen: “In dit land ben je òf kerkelijk òf je bent het niet of, vaker, niet meer' (Trouw, 13 januari).

En: “Aangezien 'niet' bij onze spraakmakers als intellectueel hogerstaand wordt aangeslagen dan 'wel', roept kerkelijke activiteit van iemand van de categorie 'niet meer' altijd verwondering en zelfs wantrouwen (hij zal toch niet op het laatste moment...?) op”.

Dat is volkomen waar, evenals het waar is dat het typisch Nederlands is 'te denken dat de rest van de wereld net zo leeft, reageert en denkt als wij Nederlanders (zodat we de ganse wereld altijd direct met onze eigen normen om de oren kunnen slaan), en de radioverbazing over Mitterrand wordt begrijpelijk', zij het 'niet minder geborneerd'.

Dat is volkomen juist en geldt zowel de grachtengordel als het kleinste dorp en de door Trouw bewonderde minister Pronk. Maar.. ook in Frankrijk hebben de uitvaartplechtigheden van Mitterrand “meer dan één militant van laïcistisch links geschokt”, meldt Le Monde. Dat de enige officiële rede de preek van een kardinaal moest zijn! Mitterrands intimus Michel Charasse bleef tijdens de dienst in Jarnac demonstratief buiten de kerk.

Of zou er nog iets anders meegespeeld hebben bij de preoccupaties van Mitterrands laatste jaren? Die gedachte kwam bij mij op toen ik, eveneens in Trouw van 13 januari, een gesprek met Jelle Zijlstra (een leeftijdgenoot van Mitterrand) las. Hierin heeft hij het over het doven van de oude idealen.

En toch heb je die nodig, want “om met je partij als cement te kunnen dienen heb je idealen nodig”. Maar wat zien we? “In het aangezicht van de volgende eeuw zie je het cement afbrokkelen. Toch zullen we ook in de volgende eeuw niet zonder idealen kunnen.”

“Maar welke? Langs welke lijnen houden we politieke partijen overeind, die ik vooralsnog blijf zien als onmisbare voertuigen van de democratie? Issues als de schoolstrijd of schrijnend sociaal onrecht zijn daarvoor thans ongeschikt. Toch zullen er idealen geformuleerd moeten worden waarmee voor de komende decennia de richting wordt aangegeven. Ik denk aan vraagstukken van leven en dood.”

Ook hier: leven en dood! Hoe zulke kwesties het 'cement' kunnen vormen van de partijen van de volgende eeuw, is nu nog moeilijk in te zien, maar Zijlstra heeft wèl gelijk wanneer hij zegt dat de tegenstelling die premier Kok onlangs in het leven riep tussen de overheid en de markt - waarbij de PvdA meer op de overheid gericht zou zijn en de VVD meer op de markt - een 'schijntegenstelling' is.

Het kan zijn dat Mitterrand, als hij ooit socialist is geweest, uitgekeken was op het socialisme en de tegenstelling tot de meer rechtse partijen ook steeds meer als een schijntegenstelling ging ondervinden. Zeker maakte hij niet de indruk de vernietigende nederlaag van de Socialistische partij in 1993 als een ramp te beschouwen en is hij zijn persoonlijke vriendschappen met rechts steeds trouw gebleven.

In het aangezicht van de dood vond hij waarschijnlijk die tegenstellingen helemaal van alle belang ontbloot. Wat ze dan ook zijn.