In elkaar geknutselde ruimtes; Monografie van architectuurpionier Koen van Velsen

Janny Rodermond (tekst) en Michel Boesveld (fotografie): Koen van Velsen, architect. Uitg. 010, 132 blz. Prijs ƒ 65,-

'Over architectuur is niets te zeggen', is de bekendste uitspraak van de Hilversumse architect Koen van Velsen (1952). In de loop van zijn nu bijna twintigjarige loopbaan heeft Van Velsen zichzelf redelijk aan deze wijsheid gehouden: hij heeft slechts een paar artikelen geschreven en interviews met hem zijn schaars.

Het is een respectabel standpunt, maar het maakt het degene die een boek over zijn werk moet schrijven wel moeilijk. Janny Rodermond, adjunct-hoofdredactrice van het tijdschrift De Architect en auteur van het boek Koen van Velsen, architect, het tiende deel in de serie Monografieën van Nederlandse architecten, heeft de oplossing gezocht in een dubbele benadering. Bij de zwart-wit foto's van Michel Boesveld, plattegronden en tekeningen, die verreweg het grootste gedeelte van het boek innemen, komen nauwelijks woorden voor: de illustraties moeten voor zichzelf spreken. Maar in de tekst van 16 bladzijden die volgens het stramien van de serie aan de plaatjes vooraf hoort te gaan, kon zij natuurlijk niet zwijgen.

Het is een benadering die niet echt goed werkt. De presentatie van Van Velsens gebouwde ontwerpen, van een woonhuis en dierenartspraktijk uit 1978 tot de in aanbouw zijnde Megabioscoop in Rotterdam, is in veel gevallen zo summier dat er een zeer gebrekkig beeld van de ontwerpen ontstaat. En de tekst van Rodermond gaat gebukt onder zoveel citaten en parafrases van de tegenwoordig in artikelen over architectuur onvermijdelijke filosofen Heidegger en Gilles Deleuze, dat deze topzwaar wordt.

Soms pakt Rodermonds citatendrift zelfs grotesk uit. Dit is bijvoorbeeld het geval in de tweede en derde alinea, wanneer zij haar eigen moeilijke positie als schrijfster over een zwijgende architect uitlegt met behulp van citaten van George Steiner. Steiner pleit in Het verbroken contract voor een verbod op kunstkritiek, schrijft Rodermond, en dat is iets waarbij Van Velsen zich wel zou voelen. Nu is Steiner citeren altijd riskant, zo weten we sinds 1990, toen Nico Scheepmaker in een artikel over de Zwitserse cultuurpessimist aantoonde dat ongeveer alles wat Steiner in een lezing voor de CPNB beweerde over het uit het hoofd kennen van gedichten in de Sovjet-Unie onjuist en onzinnig was. En ook in dit geval had Rodermond Steiner beter niet kunnen citeren. Want Steiners pleidooi voor een wereld zonder kunstkritiek lijkt een schaamteloos plagiaat van het werk van Dr Joseph Goebbels, die zich al 55 jaar voor Steiner uitsprak voor een verbod op de kunstkritiek en dit in het Derde Rijk ook verwezenlijkte.

Toch komt de lezer ondanks de overdaad aan geleerde citaten wel iets te weten over de architectuur van Koen van Velsen. Van Velsen is een 'architect's architect' bij wie de ervaring van de ruimte, die uiteindelijk niet in woorden is uit te drukken, voorop staat. 'De kernvraag is hoe het architectonische vocabulaire ingezet kan worden voor het gericht oproepen van specifieke gewaarwordingen', schrijft Rodermond. Van Velsen doet dit door elke functie van een gebouw een afzonderlijke ruimte met een eigen ambiance te geven. Die ruimtes lijken in elkaar geknutseld, een effect dat wordt versterkt door zijn gebruik van veel verschillende, contrasterende materialen, zoals hout, pleisterwerk, baksteen, golfplaat, beton en metaal. Hoogtepunt in zijn oeuvre tot nu toe is, zo blijkt uit het boek, de bibliotheek in Zeewolde, die oogt als een collage van ruimtes en materialen.

Stijlloos

Met dit laatste, het contrast van verschillende materialen, komt Rodermond op een interessant punt in Van Velsens werk. Voor de criticus Hans van Dijk was het aanleiding om Koen van Velsen te bestempelen als de pionier van het 'esthetisch pragmatisme', zoals hij de huidige architectuurstijl noemt. De Nederlandse architecten van de jaren negentig zijn wars van 'wijsgerige pretenties of intellectuele aanstellerij', aldus Van Dijk in een beschouwing in het Jaarboek Architectuur in Nederland 1994-95: 'Ze zijn bouwers, maar willen wel graag dat het er zo goed mogelijk uitziet.' En voor dit 'er goed uitzien' gebruiken de huidige architecten een stuk of twaalf stijlmiddelen, zoals schuine lijnen, ongebruikelijke materialen en het duidelijk laten zien dat het gebouw 'in elkaar gezet is'.

Van Dijks polemische artikel heeft tot opmerkelijk weinig debat geleid in de Nederlandse architectuur. Rodermond is een van de weinigen die er wel eens zijdelings op terugkomen, al getuigen haar uitspraken in De Architect niet van een goed begrip van Van Dijks betoog. Jammer genoeg heeft ze ook in het boek over Van Velsen, wiens werk volgens Van Dijk de oorsprong vormt van de nieuwe collagestijl, de kans laten lopen om de kwestie van de nieuwe stijl eens echt aan de orde te stellen. Ze gaat er alleen impliciet op in door te schrijven dat Van Velsens gebouwen 'geen collages van geleende oplossingen en beelden' vormen, maar eerder duiden op stijlloosheid. Zo blijft de vraag of deze 'stijlloosheid' niet gewoon een andere naam van Van Dijks 'esthetisch pragmatisme' onbeantwoord.

    • Bernard Hulsman