Het land waar stof geen rust kent

De Poolse dichter Zbigniew Herbert schreef over zijn fascinatie voor Nederland en de Gouden Eeuw dichterlijke essays, gebundeld in De bittere geur van tulpen. “De essays zijn doordrenkt met verbazing, verbazing over de kleuren, de details, de eentonigheid, verbazing ook over de heroïek van het alledaagse dat dit 'koninkrijk van dingen' domineert.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Zbigniew Herbert: De bittere geur van tulpen, Holland in de Gouden Eeuw, Uitg. Contact. Verkrijgbaar bij Scheltema en elders voor ƒ 12,50.

Een Poolse dichter rijdt Holland binnen. Hij rijdt door een vlakte 'die ons niets in de weg legt, alsof de wetten der zwaartekracht hier ineens waren opgehouden te bestaan'. Hij beweegt zich voort 'als een bol over een glad oppervlak'. Hij wordt overmand door 'een krachtig sensueel gevoel, gezegende monotonie, slaperigheid in de ogen, afgezwakt gehoor en verminderde tastzin omdat er niets om ons heen gebeurt dat angst of extase wekt.' Hij raakt gaandeweg in de ban van de rijkdom van deze fascinerende vlakte, van de kleur van de brievenbussen en de treinen, van de koperen deurknoppen en de smalle trappen, van de vreemde groene voertuigen die door de binnensteden rijden en die met borstels wolken stof doen opwervelen, 'wat misschien niet de meest ideale wijze is om een stad te reinigen, maar wel een ernstige waarschuwing inhoudt dat stof hier nooit rust zal kennen.' Hij gaat van het land houden en hij schrijft er een prachtig boek over. Alleen: het land houdt niet van zijn sensualiteit, zijn tastzin, zijn alertheid en zijn extase. Het boek valt.

In 1993 publiceerde de vermaarde Poolse dichter en kunstkenner Zbigniew Herbert onder de titel 'De Bittere Geur van Tulpen' een boek met essay's en apocriefe verhalen over Holland in de Gouden Eeuw. De bundel bevatte zestien prozastukken die in geen enkele categorie onder te brengen waren. Het waren essay's, maar ze lazen als verhalen, en sommigen zelfs als poëzie. Ze waren buitengewoon goed gedocumenteerd, maar de auteur geneerde zich er ook niet voor om, als hem dat zo uitkwam, een paar feiten naar zijn hand te zetten. En vooral waren ze doordrenkt met verbazing, verbazing over de kleuren, de details, de eentonigheid, verbazing ook over de heroïek van het alledaagse dat dit 'koninkrijk van dingen' domineert.

In één van zijn beschouwingen wierp Herbert bijvoorbeeld de vraag op hoe het mogelijk is dat er in Holland, een land dat tachtig jaar lang oorlog heeft gevoerd met de Spanjaarden, niet één schilderij is gemaakt waarop een dramatische moment van overwinning of nederlaag is afgebeeld - althans niet in de Gouden Eeuw. Volgens hem kwam dat omdat voor de Hollanders oorlog geen fraai ambacht was, niet een avontuur van de jeugd, of de kroon op iemands leven. 'Zij ondernamen hem zonder vervoering, maar ook zonder protest, zoals men de strijd met een van de elementen aanbindt,' schrijft Herbert. 'Vanuit zo'n gedragscode was er geen plaats voor het vertoon van heldhaftige onverschrokkenheid of een spectaculaire dood op het veld van eer.'

In de 'apocriefe verhalen', een reeks miniaturen over typische Hollanders waarmee het boek afsloot, werd dat 'non-heroïsche motief' verder uitgewerkt. Bijvoorbeeld in de boekhoudhobby van Jan Pieterszoon Coen, die na een dag hard werken 'ontspanning, vertroosting, welhaast een fysiek geluk [vond] bij de gedachte aan de witte vellen papier met twee rijen getallen onder de rubrieken debet en credit.' Of in het gelijkmatige leven van de textielhandelaar Cornelis Troost, die absoluut niet in staat was te bevatten 'hoe men kon bestaan zonder huis, zonder krakende traptreden en leuning, zonder gordijnen en kandelabers, en ook zonder de textiel die hem zijn hele leven omringd had,' maar die in zijn binnenkamer ondertussen een wilde affaire beleefde met zijn dienstbode. Of in het sterven van de insektenkenner Jan Swammerdam: 'Lange rijen mieren marcheerden door het gangenstelsel van zijn aderen, zwermen bijen dronken de bittere nectar van zijn hart, grote grauwe en bruine motten sliepen op zijn ogen.' In dat laatste verhaal kwam tegelijk de andere kant van Herbert's Holland-kunde naar voren: zijn oog voor het absurde, voor het krankjoreme, voor de gekte die permanent onder dit ogenschijnlijk zo gelijkmatige land sluimert. Zo beschreef hij de windhandel in tulpen, een golf van gokwoede die tussen 1634 en 1637 de economie van dit degelijke land op zijn grondvesten deed schudden, als een carnaval van het geld, als een massale ontsnapping uit de behoedzame werkelijkheid van alledag naar een denkbeeldige wereld van begeerte. Hoe is het anders te verklaren dat nuchtere, hardwerkende en schraperige Hollanders bereid waren om voor de tulpebol Viceroi bijvoorbeeld twee karrevrachten tarwe en vier karrevrachten rogge te betalen, plus vier vette ossen, acht vette varkens, twaalf vette schapen, twee vaten wijn, vier vaten bier en duizend pond kaas? Het was dezelfde nuchterheid die tenslotte een einde maakte aan deze bloemenloterij. De dwaasheid werd na korte tijd door het gezonde verstand weer aan de kant geschoven, zoals ook de koopman Cornelis Troost zijn minnares tenslotte op straat zette en daarmee de onrust buiten zijn bestaan sloot. Maar ondertussen was het ondenkbare wel gebeurd: de behoedzaamheid was niet alleen uit het oog verloren, maar uitgedaagd, getard, vervangen door een eigensoortige fantasiewereld. De orde was, zij het kort, vervangen door chaos, de beschaving door wildheid, de rede door vreugde en angst, de vlakte door bergen en dalen. Hoe komt het nu dat die pillen van Simon Schama over de Gouden Eeuw wel op iedere salontafel liggen, maar dat dit kleine juweel, ondanks een aantal juichende recensies, eerloos ten onder is gegaan? Is het omdat de dichterlijke stem van Zbigniew Herbert niet luid genoeg was temidden van het gekwaak en gesnater dat gewoonlijk uit de Hollandse boekenplanken opstijgt? Of is het omdat de Hollanders eigenlijk niet willen weten van hun chaos, hun wildheid en de gekte die altijd sluimert onder hun gelijkmatigheid?

Ik kijk naar het stapeltje dat bij Scheltema ligt, en dat maar niet wil slinken, ondanks het voordeelprijsje dat erop geplakt zit. Wat een treurnis, wat een schande, een boek ten onder te zien gaan aan diezelfde Hollandse eenvormigheid en genoegzaamheid die het zo magistraal beschrijft.

    • Geert Mak