Het Europa van de obstakels; J.H. Sampiemon is redacteur van NRC Handelsblad.

Het doel is een gemeenschappelijke Europese munt, maar de vanzelfsprekendheid van dat doel staat steeds meer ter discussie. In de vroege herfst van vorig jaar boog de nieuwe Franse president Chirac zich voor Duitslands monetaire discipline. Dat kwam hem in eigen land te staan op het verwijt zijn verkiezingsbelofte te hebben verbroken en op een winterse stakingsgolf die enkele weken lang het regeringsfundament dreigde weg te slaan. Onmiddellijk daarna verklaarde Chirac zich opnieuw trouw aan Europa's monetaire beleid. Vervolgens komt het ontrustbarende nieuws uit Duitsland. En opnieuw rijst de vraag: kan Europa zich de euro binnen de voorgenomen termijn veroorloven?

Er zijn verschillende sociaal-economische vraagstukken verbonden met het totstandbrengen van een economische- en monetaire unie en de invoering van de euro. Dat is niet zozeer een gevolg van die unie en die Europese munt zelf, maar veel meer van het gezonde voornemen de verdere europeanisering van het monetaire beleid onder het best denkbare gesternte te doen plaats hebben. Landen moeten zich kwalificeren met een evenwichtige begroting en een hanteerbare schuldenlast.

Daar zou niets bijzonders aan zijn, als landen zich niet hadden aangewend de kosten van het oplossen van maatschappelijke problemen voor zich uit te schuiven. Zo is er de chronische en nog verder stijgende werkloosheid waarvan de bestrijding uitgaven zou vergen die het tijdig bereiken van de 'Maastrichtse' monetaire voorwaarden zouden verhinderen.

Met laconieke nonchalance wordt hier en daar geopperd de invoeringsdatum van EMU en euro flexibel te maken, opdat kandidaatlanden zonodig meer tijd krijgen zich bij de eisen aan te passen en het voor hen geschikte moment van toetreding te kiezen. In feite werkt dat beginsel al door in de afspraken van Maastricht waar er rekening mee wordt gehouden dat niet alle lidstaten van de Europese Unie op een en hetzelfde ogenblik gereed zullen zijn met de sanering van hun financiële huishouding. Verdere flexibilisering betekent dan dat ook de voorhoede een poosje passen-op-de-plaats maakt.

Als de aanpak van de verschillende snelheden zou gaan betekenen dat zelfs de snelste zich nog altijd in slakkegang voortbeweegt, dreigt de onderneming haar geloofwaardigheid te verliezen. Dat zal niet alleen een psychologische terugslag hebben op het geheel van de Europese eenwording, maar het zal vooral ook een obstakel worden voor de uitbreiding met landen in Oost-Europa.

Het plan is om de onderhandelingen over toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie te beginnen zes maanden nadat de Intergouvernementele Conferentie over de aanpassing van het Verdrag van Maastricht zal zijn afgesloten. Dat zal eind 1997, begin 1998 het geval kunnen zijn, ongeveer hetzelfde moment waarop bekend moet zijn welke lidstaten aan de EMU kunnen en willen deelnemen. Maar hoe zal dat uitbreidingsoverleg uitpakken, als er nog geen begin van zekerheid bestaat over de termijn waarop althans een partiële monetaire eenwording binnen de Europese Unie haar beslag zal krijgen?

Natuurlijk zal de uitbreiding van de EU toch al veel tijd vergen. De rekkelijkste onder de lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, gaat bij monde van minister Rifkind uit van een periode van zeker zes jaar. Gedurende die tijd kan er het nodige werk worden verzet waar het gaat om de zogenoemde 'verdieping' van de Unie, de monetaire en politieke integratie. Maar voor de onderhandelingen met de kandidaat-leden moet het verschil maken of er concrete vooruitgang op die gebieden wordt bereikt of dat alles onzeker blijft, speciaal op het stuk van de communautaire financiële tucht. De idee van de vorming van een monetaire kerngroep houdt in dat er een financiële standaard zal zijn gevestigd waarnaar de andere Europese staten zich kunnen richten. Maar dan moet er wel een kerngroep zijn.

De uitbreiding van de EU, in het bijzonder die in oostelijke richting, ligt politiek gevoelig. Niet alle Oosteuropese staten zullen zich in hetzelfde tempo kwalificeren. Landen als Polen, Tsjechië en Hongarije beschouwen zichzelf als voorlopers, en zij worden in die overtuiging gesterkt door Duitsland.

Maar de Europese Unie als geheel tracht bij de beoordeling van toelating een objectievere werkwijze te volgen. In de praktijk zal er niet veel verschil zijn, maar een vanzelfsprekendheid wordt voorkomen die ten koste zou kunnen gaan van de kritische zin. Ten slotte zijn alle kandidaat-landen onderworpen aan sociale en politieke krachten die, dynamisch als zij zijn, hen in de toekomst meer of minder geschikt kunnen maken voor het EU-lidmaatschap.

Behalve de vraag over het karakter van een bepaald kandidaat-land, is er het meer algemene probleem van de strategische verhoudingen in Oost-Europa. Wat betekent een toestand waarin Polen zich binnen en Oekraïne zich buiten de EU bevindt, of, misschien ingrijpender nog, de Baltische landen niet toetreden? Of een situatie waarin de Baltische landen wel het EU- en niet het NAVO-lidmaatschap aanvaarden omdat tegen dit laatste te grote Russische bezwaren bestaan? Wat blijft er onder dergelijke omstandigheden over van de nauwe historische band tussen de Europese integratie en het Atlantische bondgenootschap?

Behalve externe problemen roept de uitbreiding van de EU ook interne vraagstukken op, in het bijzonder de toekomst van het sociale overhevelingsmechaniek ten dienste van achterblijvende regio's en behoeftige agrarische sectoren. Die regimes zullen ingrijpend moeten worden besnoeid, willen zij na uitbreiding de draagkracht van de donorlanden niet te boven gaan.

De moeilijkheden en complicaties die met uitbreiding gepaard gaan, onderhouden geen directe relatie met de vraag of en wanneer er een begin kan worden gemaakt met de monetaire en economische unie en wanneer de euro zal kunnen worden ingevoerd. Maar een verband is er wel. Al was het maar omdat een levenskrachtige EMU het zichtbare bewijs zal zijn van vastberaden Frans-Duitse samenwerking. Zonder de EMU zou Oost-Europa zich tevreden moeten stellen met deel te zijn van de markzone in plaats van zich te kunnen ontwikkelen tot volwassen deelnemer aan het spectaculaire project van een verenigd Europa. En dat zou dan gevoeglijk een gemiste kans mogen heten.

    • J.H. Sampiemon