Hemelse harmonieën van een notoir kroegloper; Twee biografieën van componist Henry Purcell

Maureen Duffy: Henry Purcell (vertaald door Jos den Bekker), Uitg. De Prom, 248 blz. Prijs: ƒ 49,50.

Simon Mundy: Purcell, Uitg. Omnibus Press, 160 blz. Prijs: ƒ 29,50.

Henry Purcell overleed op 21 november 1695. Op zijn gedenksteen in de Londense Westminster Abbey kan men nog altijd de tekst lezen waarin is uitgedrukt hoe menig tijdgenoot over zijn muziek dacht, namelijk dat de perfectie van Purcells 'Harmony' slechts in het hemelrijk zou kunnen worden overtroffen. Johann Sebastian Bach was op het moment van Purcells overlijden een knaap van amper tien jaar oud; van Mozart, Beethoven of andere muzikale genieën kon de grafdichter nog geen weet hebben, maar hij leek zeer wel te beseffen dat met Purcell één van de grootste Barok-componisten en één van de belangrijkste Engelse componisten aller tijden was heengegaan.

Purcells driehonderdste sterfjaar is intussen uitgebreid herdacht met talloze concerten, een stroom van cd's, een speelfilm en duizenden gedrukte pagina's. Zijn in manuscripten en bundels bewaard gebleven muziek biedt de uitvoeringspraktijk in ruime mate stof voor verrassende cd's en concertprogramma's, en heeft geleid tot allerlei musicologische beschouwingen over zijn oeuvre, zoals in Henry Purcell van Peter Holman (Oxford University Press 1994) of The Purcell Companion (red. Michael Burden, Faber & Faber 1995).

Over Purcells leven is nauwelijks iets met zekerheid te zeggen. Toch valt over deze weinige biografische gegevens nog altijd een heleboel te schrijven, getuige de verschillende biografieën die omstreeks het huidige herdenkingsjaar zijn verschenen. Een handjevol dezelfde anekdotes, al dan niet becommentarieerd, is in vrijwel al deze boeken aanwezig. Zo zou Purcell - een notoir kroegloper - zijn overleden aan een ernstige verkoudheid die hij opliep doordat zijn vrouw hem op een winterse nacht de toegang tot de echtelijke woning ontzegde. Dit verhaal kan men al aantreffen in John Hawkins A general history of the science and practice of music uit 1853 en is opnieuw te lezen in Henry Purcell van de dichteres en romanschrijfster Maureen Duffy, waarvan onlangs een vertaling is uitgekomen, en in Purcell van Simon Mundy, die eerder dit jaar werd benoemd tot directeur van de Utrechtse Organisatie Oude Muziek.

Beide auteurs parafraseren de anekdote, maar nemen er niettemin afstand van. Mundy acht het waarschijnlijker dat Purcell uiteindelijk overleed aan een longontsteking of reumatische koorts. Duffy is van mening dat Purcell stierf aan een longontsteking ten gevolge van bronchitis of pleuritis. Beiden verwerpen tbc als doodsoorzaak, zoals in eerdere biografieën wel is gesuggereerd.

De twee auteurs zitten met hun strikt chronologisch opgezette biografieën vaker op een zelfde golflengte bij de interpretatie van het historisch materiaal. Duffy draagt echter nieuwe bronnen aan, waardoor zij op biografische details soms nieuw licht weet te werpen. Mundy beperkt zich in zijn lichtvoetiger werkje, dat een onderdeel is van de reeks The Illustrated Lives of the Great Composers, tot secundaire literatuur. De populaire opzet van deze reeks, waarvoor Mundy eerder een biografie over Edward Elgar schreef, sluit een diepgravende beschouwing uit. Maar soms gaat hij wel wat kort door de bocht. Zo doet hij Duffy's interessante redenering dat mogelijk niet Henry Sr., maar zijn broer Thomas de vader van de illustere componist was, af als zinloze retorica 'just to confuse the matter', zonder in te gaan op de argumenten.

Duffy vervlecht de geschiedenis van Engeland als een soort contrapunt met het leven en werk van Purcell. Hierdoor wordt vooral de sociale context van zijn positie als hofcomponist onder drie opeenvolgende koningen belicht. Mundy relateert zijn biografische schets eveneens aan de Britse historie, maar doordat hij Andrew Ashbee's omvangrijke studie Records of English Court Music buiten beschouwing lijkt te hebben gelaten, gebeurt dit beduidend oppervlakkiger. Daar tegenover staat dat Mundy duidelijk de politieke verhoudingen uiteenzet, zoals die tussen de Whigs en de Tories, hetgeen zeker voor lezers buiten het Verenigd Koninkrijk zinvol is. Mundy's bondige schrijfstijl staat daarbij in scherp contrast met Duffy's bloemrijke taalgebruik, dat een poëtische passage oplevert als 'De dichters der natie barstten los in een paroxisme van rouw', maar ook een verbijsterende gemeenplaats als 'De massa van de bevolking had de energie, de fantasie en de tijd om te repeteren en deel te nemen aan een keur van muzikale voorstellingen van een redelijk hoog niveau.'

Dat Duffy's uitgever, anders dan die van Mundy, het kennelijk niet noodzakelijk heeft gevonden aan het boek registers toe te voegen, is een gemis. Een componistenbiografie behoort niet alleen een gedegen levensbeschrijving te zijn, maar moet ook kunnen fungeren als naslagwerk, waarin de gebruiker bijvoorbeeld de ontstaansgeschiedenis van afzonderlijke composities nog eens kan nalezen.

Vrij van hagiografische elementen zijn de twee biografieën niet, hoewel Mundy een enkele keer te betrappen is op een kritische uitlating. Duffy kwalificeert het sopraanduet in de eerste koninklijke welkomstode van Purcell nog als 'verrukkelijk', Mundy stelt onomwonden dat het geen al te beste eerste poging was. Maar beide biografen lijken zonder voorbehoud te kunnen instemmen met Purcells tijdgenoot Henry Hall die schreef: 'Sometimes a Hero in an age appears, But once a Purcell in a Thousand Years'. Sterker zelfs: wat de Engelse muziekgeschiedenis betreft, lijken Duffy en Mundy het erover eens te zijn dat er zich maar eens in de twééduizend jaar een componist van Purcells formaat aandient.