Heldendorst; Martin Scorsese en de mafia

Er is geen filmschurk zo weerzinwekkend of we zijn genegen in hem een held te herkennen. Daarom waren film en mafia al vroeg dikke vrienden. Alleen de mafiafilms van Martin Scorsese tonen iets anders. “In de breuk tussen bloedverwanten berust de gruwel van al het werk van Scorsese.” De vierde mafiafilm van Scorsese gaat op het International Filmfestival Rotterdam in Europese première.

Casino is op het International Filmfestival Rotterdam te zien op 27 jan., 22.15u in Luxor, 29 jan. 21.45u Calypso, 1 febr. 9.45u Thalia in Rotterdam en op za 3 febr. 22.15u. in Pathé 2 Maastricht. De landelijke première is op 7 maart. Alle andere genoemde films van Martin Scorsese zijn te huur bij de videotheek.

Allemaal willen we een held zijn, daarom duiken we onder in de bioscoop. Een romanpersonage kan boeien door te laten walgen, maar een figuur uit een film, daar houd je van. Ook tegen beter weten in. Want of de hoofdpersoon van een film nu een hij is, een zij of een hond, of hij Dirty Harry heet, Calamity Jane of Babe, in de bioscoop wordt het een ik. Een ik die benijdenswaardig optreedt, die vergaande, zelfs verboden ervaringen opdoet. Een ik die god noch gebod erkent of juist een ik die tegen de stroom in en op het zijige af het goede wil. Maar altijd een ik die glorieert, wat er ook aan voorafging. Oftewel, er is geen filmschurk zo weerzinwekkend of we zijn genegen in hem een geweldenaar te herkennen. En ons in hem, want daar was het om begonnen.

Binnenkort zal het weer zover zijn, na de première van Nixon, de hardvochtige levensverfilming van Richard M. Nixon door Oliver Stone. Hij was twee ambtstermijnen lang de president van de Verenigde Staten, maar moest het Witte Huis voortijdig verlaten omdat duidelijk was geworden dat hij het land regeerde of het zijn eigen kippenhok betrof. Oliver Stone windt er geen doekjes om: in zijn film is Nixon een boef en kierewiet, nadrukkelijk in die volgorde. Vertrouwend op raad en daad van een stel bevriende proleten, machtswellustig met de machtshongerigen. Onbetrouwbaar tot op het bot is Stone's Nixon, gedreven door egomane willekeur en zo paranoide dat hij van levensgevaar is voor iedereen met wie hij te maken krijgt.

En toch. En toch zet iets anders de toon. Nixons wanhoop over een verloren verkiezing en zijn o zo menselijke vermoeidheid, ze spelen een kleine maar nadrukkelijke rol. Zijn koppigheid, zijn dromen, Stone zorgt ervoor dat we onszelf er moeiteloos in herkennen, door elk sleutelmoment te voorzien van een even verstandige als nadrukkelijk liefhebbende echtgenote. Bij de pinken en een honnepon, zo'n juweel kan toch niet houden van een beest? Een naïef door Nixon toegesproken animeermeid, zijn ongemak onder de lange roze nagels op zijn knie en en een afgeblafte ultra-rechtse oliebaron doen de rest. Daarmee worden zelfs Nixons verkeerde regenjassen en zijn krappe hoedjes ons dierbaar. Ook al leren we van de film dat het nergens op slaat, we gaan deze man allengs meer waarderen. En wanneer hij gedwongen is om af te treden doet dat pijn alsof we zelf de handdoek in de ring moesten gooien. Tot slot hebben we een klein beetje verdriet. Samen met Nixon - hij sloft inmiddels statig weg, arm in arm met zijn vrouw - voelen we ons miskend. In aangenaam melancholiek humeur kunnen we de bioscoop verlaten. Tragische helden, dat zijn we. Allemaal.

Oncharmant

Iets eerder dan Nixon beleeft, op het International Filmfestival Rotterdam, Casino zijn Europese première. Het is een film van Martin Scorsese, New-Yorks cineast van 1942, getogen in het ruige Little Italy van die stad. Casino draait om een man die alles mee heeft voor een filmheld: Sam 'Ace' Rothstein wordt achter elkaar rijk beroemd machtig, en eindigt eenzaam aan de top. Hij beleeft een dramatische romance, hij overleeft een aanslag, hij blijft zichzelf, hoezeer een jeugdvriend hem ook tart zich te conformeren - wat willen we meer?

Maar deze man is een ellendeling. Hij is een ellendeling als alle hoofdpersonen in de Scorsese-films: net zo'n verknipte dodo als Travis Bickle in Taxi Driver, net zo'n bullebak als Jake LaMotta in Raging Bull, net zo'n contactgestoorde onnozelaar als Johnny Boy in Mean Streets, en ook nu houdt Scorsese dat nadrukkelijk niet geheim. Als we met deze man mee willen leven moeten we dat zelf weten, Scorsese doet niets om ons zover te krijgen.

Onder zijn regie verwordt Robert De Niro als Sam Rothstein tot een tanige, slechtgehumeurde wolf. 's Mans gebrek aan goede smaak is te schreeuwend om te kunnen vertederen. De vrouw van zijn leven snuift coke terwijl ze een jankerig preekje afsteekt tegen hun toekijkende dochtertje, zijn personeel wordt geïntimideerd, vrienden worden verraden, een kleine crimineel zwaar mishandeld, een grote kruiperig te woord gestaan.

Martin Scorsese weet hoe zwak we zijn, hoe voorspelbaar in onze heldendorst. Hij pepert ons dat in, onweerstaanbaar en oncharmant. Al jaren, met de ene briljante film na de andere en nu met Casino.

En wij? Wij, suffe honden, wij krabben wanhopig aan de ijskristallijnen beelden van Casino, tot onze poten bloeden. Of we nu voor het eerst een film van Scorsese zien of ze allemaal kennen, het maakt niet uit. Altijd weer haalt hij ons onderuit. Zijn beelden, zijn verhalen verlokken ondanks de trefzekerheid waarmee zijn personages ons op ons ongemak stellen. En dat lukte hem zelfs toen hij zich waagde aan door overzichtelijke conventies gebonden genres als de musical (New York, New York, 1977), de thriller (Cape Fear, 1992) of het kostuumdrama (Age of Innocence, 1993).

Met Casino is Scorsese weer thuis. Niet letterlijk, in het Little Italy van Mean Streets (1973) en Raging Bull (1980). Thuis, dat is voor Scorsese ook de jaren zeventig met de door hem gretig uitgebuite extremen in levenswijze (de vrije seks was vers bevochten en kon in alle hevigheid gebotvierd worden), drugs (duur maar nog niet herkend als levensbedreigend) en mode (ultra-mini en hot pants voor de vrouwen, bonte pakken voor de mannen en zo nodig plateauzolen voor beiden). Thuis, dat is ook de voor die tijd typerende rockmuziek, die Scorsese al vaker aanwendde voor een score en die meer dan zijn verhalen structuur, accent en tempo van zijn films bepaalt: Otis Redding, Eric Clapton, The Rolling Stones, The Moody Blues. 'I'm Sorry' van Brenda Lee, 'Hurt' van Timi Yuro, 'Love is the Drug' van Bryan Ferry. Maar het meest thuis is Scorsese bij de Italo-Amerikaanse mafia, ook als die zetelt middenin een woestijn, in Las Vegas, gedempt door het groene vilt van de Black Jack-tafels, weerkaatst in de blikkerende gokkasten.

Adel

Film en mafia, al vroeg waren ze dikke vrienden. Tot een jaar of dertig geleden de heffe van de misdaadfilm (met Edward G. Robinson als onbetwiste opperplurk), zijn mafiosi nu opgeklommen tot de adel. Flamboyant van handel, wezen en religie, kunnen de capo's tragisch verstrikt zijn in een hopeloze queeste of hoofs uitdagen tot hunker naar haat. In beide gedaanten zijn ze geknipt voor Hollywood.

Verheffing tot de adelstand dankt 'the mob' aan de Godfather-films van Francis Coppola. Coppola gaf richting aan de zwaar geromantiseerde visie die nu de toon bepaalt. Zeker, zijn films informeerden over wreedheid en terreur en ze dropen van het bloed, maar hun cinematografisch heil zochten ze in de grandeur van de Peetvader. In zijn vorstelijk hofhouden, in de saamhorigheid van zijn familie, in de waardigheid van zijn erfgenaam. Hun Italiaanse accent maakt hen exotisch, hun voorliefde voor 'pasta di mamma' juist weer huiselijk. Immoreel zijn de mafiosi in de Godfather-films, maar trouw aan hun idealen. Mannen met een droom en daarmee ongeslagen als tragische helden. Wanneer de bejaarde Don Corleone (Marlon Brando) onder het oog van zijn kleinkind een hartaanval krijgt tussen de tomatenplanten dan voelt dat als droef. Niet als net goed voor de wreedaardige massa-moordenaar die hij, en dat weet de filmkijker heel goed, toch bovenal is.

Sinds The Godfather (1972) staat de georganiseerde misdaad nu steevast onder leiding van een Man die te Groot is voor zijn omgeving, en daarbij maakt het niet langer uit of de cineast zijn kant kiest of hem laat bestrijden. Wanneer Al Capone met een honkbalknuppel iemand de hersens inslaat (The Untouchables van Brian DePalma, 1987) dan wekt dat, meer dan afschuw, besmuikte bewondering. Want hij doet het met stijl, met het brede gebaar van de geslaagde zakenman tijdens een geelgoud uitgelicht diner. Bloed en klonten, niets wordt ons bespaard, maar het ziet er toch vorstelijk uit, op damast, naast tafelzilver, porselein en eersteklas wijn.

Vier mafia-films maakte Scorsese nu: Mean Streets over de kleine jongens, Raging Bull over een bokser in mafia-milieu, GoodFellas (1990) over een opleiding tot mafioso en nu Casino. Steevast kreeg Robert De Niro een hoofdrol en telkens opnieuw keerde Scorsese zijn rug naar de bedwelmde Hollywoodblik op zogenaamd grote geesten die hun theatrale kwaliteiten besteden aan het bloemrijk vermoorden van tegenstanders. Bij Scorsese zijn alle mafiosi etters. Luidruchtige out-laws met een vuile tong, die van aanmatigend gedrag een levensvervulling maken. Patjepeërs met hun wapens en hun opzichtig-dure spulletjes, geen haar beter dan de jogging-pakken-brigade die we aan het slot van Casino Las Vegas zien overspoelen, en die door Scorsese daar ten onrechte wordt afgedaan als inferieur. De mafiosi staan op hetzelfde plan als de smakeloos gesoigneerde dagjesmensen, alleen hebben de gangsters meer geld en dus dure kleren en geen acne.

En waar zijn ze op uit, die kleine venijnige zielen? In de meeste Scorsese-films op hetzelfde typisch mafiose, magische tut-holawoord in al zijn gewicht: respect. In The Godfather een zwaar beladen term, in agressieve gangsta rap inmiddels ook en zelfs Nederlandse rapgroepen schermen ermee: het ergste dat de een de ander kan aandoen zou zijn dat hij 'geen respect' heeft. Nou en? zou ik zeggen, maar pas op, dit is niet minder dan een laatste waarschuwing. Want 'respect' betekent geen achting of eerbied, het is zoveel waard als de frase 'omdat ik het zeg' van de huistiran. Het maakt duidelijk wie de baas is en wie de slaaf. En het kan dienen als handzame rechtvaardiging om iemand te maltraiteren: ik moest 'm wel koud maken, want hij toonde geen respect; ik moest 'r wel zoutzuur in haar gezicht gooien, want weet je, het ontbrak haar aan respect. O, ik begrijp het. Vervelend voor je, maar ja, a man's gotta do what a man's gotta do.

Respect, loyaliteit, trouw, Casino maakt meer dan ooit duidelijk dat het alles pose is. De mafiosi hebben maar een ding aan hun kop en dat is het veroveren van zoveel mogelijk geld. Daar gaat het om, iets anders raakt ze niet. Wat doen ze met dat geld? Eigenlijk niets. Het dient tot vertoon en het houden van een vrouw als was ze een bijzonder huisdier. In Mean Streets houdt een gangster nog een leeuw in een kooi. Hij tortelt er zelfs mee. Potsierlijk is in Casino het eerste huwelijksgeluk van Sam Rothstein en zijn vrouw: een zaalgrote kamer vol kleren schenkt hij haar, een kist vol juwelen, jawel, een bontjas en als ultiem bewijs van zijn liefde de sleutel tot zijn privé-kluis. Verder weet hij net zo min wat hij met haar aan moet als Jake LaMotta met zijn, even ongenaakbare Vicky, of als de Taxi Driver met de blonde schoonheid die hij fêteert op een uitje in de pornobioscoop. De Scorsese-vrouwen zouden een aparte studie waard zijn. Allemaal blond en plaatjesmooi van trekken, allemaal kil en boos en leeg. Of zinderen hun hersenen van de geheime gedachten? Dat vermoeden hun mannen en die zien het als een belediging, een aantasting van hun eigendomsrecht. Wat die vrouwen bezielt - ik heb geen idee en ik geloof ook niet dat Scorsese het weet.

Gewoon

In het knallend als een strijker vormgegeven GoodFellas vertelde hoofdpersoon Henry Hill hoe hij als jongetje al het liefst gangster wilde worden, net als de mannen in de kroeg aan de overkant: 'het was beter dan de President van de Verenigde Staten: zij konden doen wat ze wilden'. We hebben dan al, in de openingsscène van de film, meegemaakt wat het gangsterdom concreet inhoudt: vier mannen, onder wie de spreker, zagen we een anonieme figuur in een kofferbak om zeep brengen. Smerig, goor, met gereutel van het slachtoffer en gevloek van de moordenaars, omdat ze zich ergeren aan die gek, die niet snel genoeg dood wil. Grof gefilmd, ruw gemonteerd. Schitterend geacteerd, dat ook. Maar te lachen, zoals bij de moorden in Quentin Tarantino's Pulp Fiction, viel er niets. Mishandeling en moord, 'daar dacht je niet eens over na', horen we van Henry Hill en: 'iemand neerschieten was iets gewoons'.

Hoe gewoon het is zullen we weten. Of het nu zijn mafiafilms betreft of de groezelige, zelfbenoemde engel der wrake in Taxi Driver, nooit is er sprake van humor bij het Scorsese-geweld. Van glamour ook niet, noch van visuele schoonheid of filmische hoogstandjes. Er is dreiging en onheil. Wordt er gevochten of gemoord, dan gebeurt dat vuil en schor en onoverzichtelijk. Gesjor en getrek, beuken en trappen. Pijn is pijn en van uitgewogen choreografie is geen sprake, niet voor het gevecht en niet voor de camera. Hortende, verkrampte uitvallen bepalen de documentaire bewegingen, schnitts lijken toevallig. Geweld is voor Scorsese niet ritueel en ook niet symbolisch, het is wat het is: de uitdaging aan de ander om onmenselijk te zijn; het recht om de ander zo laag te klassificeren dat besloten kan worden dat zijn leven niet langer ter zake doet.

Sam Rothstein is geen driftkop. Hij martelt niet, hij straft niet, hij breekt andermans vingers niet, daar heeft hij zijn personeel voor. Hij kijkt toe, niet schuldbewust maar gegeneerd. Slachtoffers, dat zijn verliezers en verliezers zijn het minachten nog niet waard. Ze zijn zo waardeloos dat je je schaamt in dezelfde ruimte als zij te moeten ademen.

Alleen in Raging Bull steekt ritueel geweld. Niet van de mafia, die gaat gewoon tekeer (een nek tussen een autoportier verpletteren) maar waar dat thuis hoort: in de boksring waar Jake LaMotta zijn titel verovert, verdedigt en verliest. Scorsese gaf de rondes vorm als groteske balletten, met in zwartwitte close-ups traag opzij geslagen neuzen, met fonteinen van in grofkorrelige slow motion wegspattend zweet en opgulpend bloed en met een geluidsband vol zwaar versterkte dreunen van gebokshandschoende vuisten op wegverende lichaamsdelen. Onvergelijkelijk mooi verbeeld. Symbool, jazeker, voor niets anders dan voor geweld, namelijk het geweld dat bokser Jake LaMotta afroept over zichzelf.

Schuld en verlossing, daar zou het Scorsese, die als veertienjarige nog priester wilde worden, om gaan. Bij elke nieuwe film fluistert hij die woorden tegen zijn interviewers. Hoezo, schuld en verlossing? Clichés zijn dat. Alleszeggend en tegelijk hol zoals alle clichés, daar verandert ook het begin van Casino niets aan: met de Matthäus Passion van Bach terwijl Sam Rothsteins schim rondduikelt in, louterend?, vuur. De Scorsese-personages hebben de neiging zichzelf te pijnigen. Ze houden een vinger of arm in de vlam van altaarkaars of gasfornuis, ze bonken met hun kop tegen de muur, ze zoeken het gevaar, ze tarten de dood. Maar hun schuld, hun zonde, die is theoretisch-religieus en hun streven naar verlossing vaag, niet meer dan een hersenspinsel. Praktisch gesproken merken ze niet eens hoe groot hun schuld is en hun verlossing zoeken ze in het steeds gewiekster zaken doen.

En toch spreekt er uit Casino een onbenoemde, diepzwarte vrees, die zich in GoodFellas ook liet voelen en sinds Mean Streets al doorschemert. De sleutel tot die vrees ligt in Cape Fear, op het eerste gezicht Scorsese's minst persoonlijke film, een remake van een hard boiled film noir uit 1962. In Cape Fear is geen sprake van mafia, maar van een gestoorde moordenaar. Net vrij na 14 jaar gevangenisstraf en op pad om de pro deo advocaat te grazen te nemen die hem niet naar behoren heeft verdedigd. Die advocaat wordt bij de minste druk een gangster, maar daar gaat het niet om. Brandpunt van de film is het gezin van de advocaat, met zijn mooie vrouw, zijn intelligente brutale dochter. Een vrolijke familie in een vriendelijk huis. Maar de van onder tot boven met bijbelteksten getatoeëerde moordenaar heeft de hond nog niet vergiftigd of het gezin dat hij wil vernietigen, blijkt allang een ruïne te zijn. De vrouw, Jessica Lange als de typische, koud-blonde Scorsese-hysterica, zal dat de moordenaar bekennen, als was hij haar psychiater en nadat hij haar heeft verkracht. De dochter, zo oud als zijn gevangenisstraf en door hem verleid met een Aretha Franklin-song, wordt door de moordenaar teder gekust en door haar vader in diens vaderlijke woede bijna gewurgd. In de gemankeerde familieband ligt de horror van deze film. In de breuk tussen bloedverwanten berust de gruwel van al het werk van Scorsese.

Familie, het is het enige anker dat een mens in zijn leven krijgt aangereikt. En juist die familieband is door de mafia geperverteerd, in dienst gesteld van geld verdienen. Een intens sadistische killer voelt zich een goed mens als hij ontbijt kan maken voor zijn zoontje; een weerspannige vrouw houd je in het gareel door haar kinderen te bedreigen. Mafia-families, tonen Scorsese's films telkens opnieuw, zijn schijn-solidair. Hun loyaliteit is door terreur ingegeven theater en reikt niet verder dan het eigen hachje. Families zijn gedoemd uit elkaar te spatten zodra er eigenbelang aan te pas komt. De echtgenote van Casino's Sam Rothstein gilt als hij haar de deur uitgooit niet 'ik wil mijn dochter', ze jankt om 'mijn geld'.

Zo zijn mensen, vreest Scorsese en in zijn belangstelling voor de mafia vond hij vorm voor die angst. Een mafiose hoofdpersoon in een film verleidt je omdat je verlokt wilt worden en dwingt je met hem mee te reizen in de afgrond van gefnuikte spreekt-voor-zichzelf-liefde. Heb Geen Gevoel, luidt het eerste gebod. Zie Af Van Elke Loyaliteit, het tweede. Zo zijn we, bijt de film ons wanhopig toe. Zo bent u meneer, en u ook, mevrouw. En jij, kind, met je veertien jonge jaren, jij wordt zo.

    • Joyce Roodnat