Gouden mensheidsmeisjes; Ontsporende mededelingen van dichter Jacques Hamelink

Jacques Hamelink: Boheems glas. Uitg. Querido. 72 blz. Prijs ƒ 27,50.

Ik geloof niet dat Jacques Hamelink een veel gelezen dichter is. Daarvoor is zijn werk te moeilijk, op het eerste gezicht althans. Zijn taal maakt een vreemde en grillige indruk en zijn bedoelingen zijn niet meteen helder. Dat komt ook doordat hij zelf niet op de voorgrond wenst te treden. Hij schrijft bij mijn weten geen beschouwingen over eigen werk meer, hij voegt geen verhelderende nawoorden aan zijn bundels toe en van interviews en openbare optredens moet hij niets hebben. Zijn gedichten en zijn bundels moeten het dus in hun eentje doen, zonder dat wij kunnen zien welk gezicht de dichter erbij trekt. Dat is mooi, in theorie, maar in de praktijk is het toch nog wel eens lastig, vooral omdat hij zo veelzijdig is.

Hamelink kan een kort versje wijden aan zijn dochter die zich afvraagt of God, die 'volgens mamma' in alles zit, ook in hondepoep aanwezig is: anekdotisch, en helemaal niet moeilijk, al staat er wel de titel 'Compactaat van Den Haag' boven. Maar hij kan ook verhalen van de begrafenisstoet voor 'een gekist Hussiet' die zich, ergens in Bohemen vermoedelijk, bewoog door 'twee hertewoudgehuchtjes in groepjes van het zoet hiernu getuigend'. Daarin zag hij bijvoorbeeld hoe 'de kromme zwartgedoekte hardhakige quene halverwege de bottelroos afneep' en aan 'haar keuzeopvolgelinge in de lijn van het mysterie' gaf. Ook een kort gedicht, ook anekdotisch, maar door het vreemde taalgebruik wel duister.

Wie Hamelink wil lezen moet zich hem meestal eerst eigen maken: een weg banen door een woud van vreemde woorden en oude talen en taaltjes en uitdrukkingen, langs slingerende zinnen - om pas daarna, al rondwandelend, te zien hoe mooi het allemaal is. Soms helpt de structuur van een bundel daarbij, zoals in grotere projecten als Sacrale komedie (1987) en de Folklore Imaginaire de Flandre (1994). Boheems glas lijkt mij vooralsnog meer een staalkaart van mogelijkheden, een bloemlezing uit recent werk, dan een samenhangend geheel. De bundel is wel verdeeld in twee delen, van elk 21 gedichten, ieder weer verspreid over zes afdelingen, maar aan deze ordening kleeft toch iets willekeurigs. Ook de vorm van de afzonderlijke gedichten maakt een bestudeerde indruk (keurige strofenbouw of anders wel keurig in twee gelijke delen geknipt), maar meestal is zij ook niet meer dan een toevallige huls voor de veel te geïnspireerde inhoud. De woorden lopen zelfs vaak zonder afbrekingsteken (spra/ken) over de regels heen: een aardige illustratie van hoe Hamelinks taalvat kan overlopen.

Hij kan in veel verschillende stijlen dichten: van kort en improviserend tot lang en episch. En zijn onderwerpen zijn overal te vinden: in Ilpendam en in Bohemen, op tv en in de Metamorfosen van Ovidius. Boheems glas bevat een prachtige reeks (opgedragen 'aan Hans Faverey, de zwaneridder') over de lotgevallen van Hyakinthos, Adonis, Aktaion en Achilles. Maar er zijn ook droefstemmende observaties over het leven in Tsjechië, nog droeviger als het de hele dag motregent, in Bozdechov bijvoorbeeld, 'afhangelings/ aan de stronthoop gelegerd van zo'n/ tenhemelstinkend kollektief koehof.' Hamelinks geheim is de lange, veel te lange zin, waardoor de mededeling alle tijd krijgt te ontsporen: in verfraaiing, vervreemding, afleiding en uitstel van de schijnbare hoofdzaak. Er zijn weinig dichters bij wie de inhoud zich zo mooi door de taal laat opzuigen: in de arendendrinkplek en in de zandwegels, in zijn nu oogonnavolgbare altitude en in de wondergerstebaarlijk-gebenedijde goddes, in reeëmergetertjes en gouden mensheidsmeisjes.

Men kan in Boheems glas de bundel van een mysticus lezen (het laatste gedicht is gewijd aan de heilige Johannes van het Kruis), maar ook van een aardbewoner die zich nog vaak ergert aan hoe het hier toegaat. Ontluistering van verheven idealen, opluistering van het alledaagse: daar is Hamelink een meester in. Zie hoe bij de Boheemse glasproduktie de 'wel geëquilibreerde pijpestelen hun rakelingse toverbellen volspelen'. Prachtig beeld, in bijna glazen taal. En zie vervolgens hoe dit 'holschapene' naar het schap gedragen wordt: op een grof 20e-eeuwse betonvloer', door 'een kwijlebabbe in gore mouwschort' die het breekbare geval voor zich uit draagt 'in de roestige bek van een haardtang.'

    • Guus Middag