Geridderde gebouwen; De mooiste Nederlandse architectuur van deze eeuw

Hans Ibelings: Nederlandse Architectuur van de 20ste Eeuw, uitg. Nederlands Architectuur Instituut, prijs ƒ69,50.

Het einde van de eeuw nadert. Dat wekt weliswaar onrust over de toekomst, maar biedt ook ruimschoots aanleiding om terug te blikken. Het Nederlands Architectuur Instituut draagt bij aan de eeuwsluiting met een overzicht door stafmedewerker Hans Ibelings van de Nederlandse architectuur van de afgelopen honderd jaar. In zijn voorwoord noemt hij het boek 'een aaneenschakeling van afzonderlijke gebouwen, een verzameling hoogtepunten'. Het boek is bedoeld voor een breed publiek; het verschijnt ook in het Engels en het Duits. Omwille van de overzichtelijkheid deelt Ibelings de eeuw eenvoudigweg op in decennia, met beknopte teksten en een royale foto-documentatie, en hij sluit af met ruim veertig korte biografieën van gezichtsbepalende architecten.

Zowel het begin als het eind van de eeuw kenmerken zich door het ontsnappen aan neo-stijlen. Honderd jaar geleden waren dat de neo-gotiek, -classicisme en -renaissance, nu is dat het neo-modernisme. Een andere opvallende overeenkomst is de schaalvergroting die zowel aan het begin van de eeuw plaatsvond - de Beurs van Berlage in Amsterdam, het Witte Huis in Rotterdam - en in de jaren tachtig, toen wolkenkrabbers bezit namen van het Weena. Anders dan architecten nu, die een grote verscheidenheid in stijlen en vormen produceren en accepteren, hield men zich toen met de prangende vraag bezig: kan er wel een 'eigentijdse' stijl ontstaan zolang er geen maatschappelijke eenheid is? Is het de taak van de architect die te zoeken, of dient die zich op een gegeven moment vanzelf aan? De definitie van 'eigentijds' bleek uiteraard subjectief: zowel de aanhangers van de decoratieve Amsterdamse School als die van De Stijl, die juist alle persoonlijke expressie wilden uitbannen, meenden er aanspraak op te kunnen maken.

In het interbellum werd het pleit beslecht in het voordeel van het modernisme, oftewel het Nieuwe Bouwen, dat nog altijd een belangrijke rol speelt in het uiterlijk van de Nederlandse bouwkunst. Niet voor niets staat de Van Nelle-fabriek op de omslag van dit boek. Maar er was toen ook een sterke traditionalistische stroming, van architecten die meenden dat architectuur niet zozeer van de eigen tijd moest zijn als wel van alle tijden, en met de tradities van streek en land in overeenstemming moest zijn.

De jaren zestig waren in de Nederlandse architectuur een sleutelperiode. Enerzijds werden de steden opengelegd voor grote verkeersstromen en werden grote flatwijken als de Bijlmer aangelegd; anderzijds vonden mensen als Van Eyck en Hertzberger veel weerklank met hun streven naar een herbergzame architectuur van een menselijke maat. De architectuur raakte ondergeschikt aan sociale doelen, met goedbedoelde gevolgen als woonerven in een stijl met de ongenadige bijnaam 'de nieuwe truttigheid'. Het nog meliger historiserende postmodernisme is grotendeels aan Nederland voorbijgegaan, waar men liever voortborduurde op de esthetiek van het modernisme. Nu wordt de toon aangegeven door een breed pluralisme, oftewel 'hybridisering' in zowel de architectuur als de stedebouw. Bij de bouw van verscheidene uitbreidingswijken, zoals de Film- en Muziekwijken in Almere, is diversiteit zelfs een verkooppunt.

Ibelings heeft zich voorgenomen om alle stijlen en stromingen evenredige aandacht te geven. Hij heeft ook een aantal niet uitgevoerde ontwerpen tot zijn walhalla toegelaten, bijvoorbeeld de traditionalistische inzending van Duintjer en Komter voor het Amsterdamse raadhuis (1941) en het opzienbarende plan van Willem-Jan Neutelings en Frank Roodbeen voor een Europees Octrooibureau (1990). Aan deze keuze moet een lang en vast ook moeilijk proces van schiften en afwegen vooraf zijn gegaan. Het eindresultaat van al die onzichtbare beraadslagingen is zonder meer overtuigend. Met een bewonderenswaardige discipline heeft hij zijn tien korte teksten beknopt en toch helder weten te houden, zonder dat er aan de complexiteit van de materie iets wordt afgedaan. Wel kruipt er naarmate het heden dichterbij komt, steeds meer jargon in, zoals 'typologische complexiteit', 'de constructie als ordenend middel' en 'de transformatie van de stedelijke ruimte'.

Grafisch ontwerper Lex Reitsma heeft het boek vormgegeven met dezelfde combinatie van schoonheid en doelmatigheid die de Nederlandse bouwkunst door de jaren heen heeft gekenmerkt. De kleurenfotografie, waar het ministerie van OCW een financiële bijdrage voor heeft gegeven, is van hoog niveau - jammer dat de foto's toch vaak nogal klein zijn afgedrukt. Ook had er in de teksten verwezen moeten worden naar de paginanummers van de foto's die het betoog illustreren. En als een eerbetoon aan de gebouwen die hier tot Nederlands hoogtepunten worden geridderd, had het niet misstaan om ergens te vermelden of ze er nog staan of dat ze inmiddels aan veranderende inzichten en conjuncturen ten prooi zijn gevallen.

    • Tracy Metz