Gebed op kantoor om steun hemelse vader

“Dat er een wind door dit gebouw mag gaan”, bidt een man van omstreeks veertig, “en dat er een honger naar u mag komen, speciaal bij de leidinggevenden tot aan de directeur.” Een jonge vrouw: “Open de harten van mijn collega's, Heer, opdat ze zien dat u een levende God bent, die de mensen lief heeft.” Een oudere man: “Ik vraag u, Heer, om een betere sfeer op de afdeling.”

Zes medewerkers van het PGGM (pensioenfonds voor de particuliere gezondheidszorg) in Zeist zijn samengekomen in een vergaderzaaltje van het moderne kantoor in een lommerrijke buitenwijk. Het is donderdagmiddag half een, tijd voor de lunch. Sommigen hebben een trommeltje brood of wat fruit voor zich liggen, maar de etenswaar blijft onaangeroerd. Er wordt gebeden: voor een collega die aan depressies lijdt, voor de vader van K. bij wie zich een kwaadaardig gezwel openbaarde, voor P. die al zo lang zoekende is en na boeddhisme en calvinisme het communisme omarmde.

Samen bidden op het werk is een betrekkelijk nieuw fenomeen, althans onder christenen, want moslims doen het sinds jaar en dag. Het begon tien jaar geleden bij de NS in Utrecht en later kwam de vlam ook tot branden bij andere bedrijven en instellingen, waaronder Hoogovens in IJmuiden, ziekenhuis Dijkzicht in Rotterdam, de Friese waterleiding en de Topografische Dienst in Emmen.

Het zijn nog kleine, soms minuscule groepjes die eens per week of veertien dagen de handen vouwen om Gods hulp af te smeken of de hemelse vader te prijzen. Verreweg de meeste deelnemers aan deze bidstonden zijn protestant met een sterk evangelische inslag en dat laatste verklaart ook de bescheiden, maar onmiskenbare groei die het verschijnsel beleeft; zie het succes van de Evangelische Omroep.

Bij PGGM in Zeist (750 man personeel) nam administratief medewerker Geerten Sondorp het initatief. “Ook binnen deze organisatie zijn zoveel veranderingen gaande en de tijd is zo verwarrend, dat het gebed een vaste plaats verdiende. Ik heb een aantal mensen van wie ik wist of vermoedde dat ze kerkelijk meelevend waren, benaderd om mee te doen, nadat ik eerst God had gevraagd hun harten voor te bereiden. Sommigen zeiden dat ze er geen behoefte aan hadden, maar anderen reageerden positief. Zes in het begin, dat was oktober 1994, nu zijn we met z'n negenen. Wie gelegenheid heeft, doet mee. Ja, vandaag zijn er een paar niet gekomen, maar ik heb in alle gevallen bericht van verhindering ontvangen.”

Sondorp krijgt naar eigen zeggen wel eens schampere of ronduit hatelijke opmerkingen te verduren. “Op mijn eigen kamer zit zo iemand, maar het deert me niet wat hij roept. We doen dit trouwens in eigen vrije tijd met toestemming van de directie. Die heeft alleen gezegd: geen propaganda. We mogen wel bekendheid geven aan de bidstonde, maar geen oproepen doen en dat standpunt kan ik ten volle billijken.” Er gaan geruchten dat deelname iemands promotiekansen kan schaden, maar Sondorp kan dit wat PGGM betreft niet bevestigen: “Ik heb er tenminste nooit iets van gemerkt.”

Vaak hebben de gebeden betrekking op het bedrijf. God krijgt problemen van organisatorische of personele aard voorgelegd, zoals daar zijn: de “hectische toestanden” op afdeling A of het niet verlengen van contracten in sector B, wat enkele parttime krachten ernstig dupeert. Maar ook hoogst persoonlijke kwesties worden aan de Schepper opgedragen: “Help Carolien, die zo diep in de put zit. Wees met onze vriend Arie, die gisteren met hartklachten werd opgenomen.”

De één bidt hartstochelijk en met luider stem onder veelvuldig aanroepen van de “Heer”, de ander kiest voor een ingetogen of zakelijke toon. Gedankt wordt er ook: “Wij danken u dat we steeds weer, ook letterlijk, de ruimte krijgen om voor u samen te komen.” Maar de vragen om hulp overheersen: “Wij leggen alle zieken en verdrukten voor uw troon.” Sondorp bidt ook voor de verslaggever: “Dat hij een oprecht stuk mag schrijven en dat het anderen tot een bidstonde mag aansporen. O Heer, ik prijs uw naam.”