Eeuwig theedrinken; De fotoseries van Eadweard Muybridge en Jan Dibbets

Voor zijn laatste tentoonstelling in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With combineerde directeur Chris Dercon de fotoseries van de 19de-eeuwse fotograaf Eadweard Muybridge en de Nederlandse schilder Jan Dibbets. “Muybridge fotografeerde met behulp van stilstaande camera's beweging. Dibbets doet precies het omgekeerde.”

Still/A Novel. Kunstcentrum Witte de With. Witte de Withstraat 50, Rotterdam. T/m 9 mrt. Di t/m zo 11-18u.

Het honderdjarig bestaan van de film in 1995 was aanleiding tot de tentoonstelling Still/A Novel, van fotografisch werk van Eadweard Muybridge (1830-1904) en Jan Dibbets (1941). Met deze tentoonstelling neemt Chris Dercon afscheid als directeur van het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With. Hij is per 1 januari benoemd tot directeur van Museum Boymans-van Beuningen. De titel is ontleend aan de bundel van 98 experimentele gedichten die de minimal beeldhouwer Carl Andre maakte naar de fotoseries van Muybridge. Dercon wil met deze expositie verbanden laten zien tussen fotografie, film en beeldende kunst. Op de benedenverdieping worden 100 fotoseries, 'collotypes', van Muybridge getoond, op de tweede verdieping 400 contactafdrukken van Dibbets uit de laatste dertig jaar.

Ogenschijnlijk is het werk van Muybridge en Dibbets nauw aan elkaar verwant. Beiden maakten fotosequenties van vrijwel identieke beelden waarin kleine verschuivingen optreden. Maar bij nader inzien blijkt dat de intenties van de twee fotografen verschillend zijn. In feite roept de expositie meer vragen op dan er beantwoord worden. Bestaat er wel een verband tussen Dibbets en de 'ontdekker van de film' Muybridge? En wat is eigenlijk het verband tussen beeldende kunst en film? Still/A Novel is dan ook een waardige afsluiting van Dercons expositiebeleid, dat erop gericht was om uiteenlopende verschijnselen in de moderne kunst met elkaar te verbinden met het doel er beter zicht op te krijgen.

In 1872 slaagde Muybridge er voor het eerst in de geschiedenis in om beweging fotografisch vast te leggen. De gouverneur van Californië Leland Stanford had hem de opdracht gegeven zijn renpaard in galop te fotograferen, om te bewijzen dat een dravend paard af en toe vier benen tegelijkertijd van de grond heeft. Muybridge plaatste 24 camera's parallel aan de renbaan en spande dwars over de renbaan draden die aan de sluiters van de camera's waren verbonden. De hoeven van het paard brachten de sluiters in beweging. Leland zag in de serie foto's zijn vermoeden bevestigd en won een weddenschap van 25.000 dollar.

Zoöpraxiscoop

Muybridge was bezeten van het registreren van beweging. In 1887 publiceerde hij zijn bewegingsstudies van dieren en mensen onder de titel Animal Locomotion, 781 series van ruim 20.000 foto's, vervaardigd in chroomgelatinedruk. Inmiddels had hij de 'zoöpraxiscoop' ontworpen, een apparaat met een draaiende schijf waarop hij de afzonderlijke afbeeldingen monteerde en projecteerde op de muur, zodat een vloeiende beweging ontstond - de eerste 'motion pictures'.

Plaat 672 toont een forse witte geit, dravend met de poten beurtelings gebogen en gestrekt, zijn sikje beurtelings naar achteren en naar voren wapperend. Een man en een paard springen over een hindernis, de benen van het paard scheren rakelings over de paal. Verrassenderwijs is de man geheel naakt, op een piepkleine string na. De spierbewegingen en de welvingen van het lichaam wilde Muybridge optimaal zichtbaar maken. Veel modellen van Muybridge zijn naakt, of ze nu atletische oefeningen doen of zich wijden aan alledaagse bezigheden als het serveren van een kopje thee. Edgar Degas, Thomas Eakins en vele andere schilders hebben van deze foto's dankbaar gebruik gemaakt.

Het merkwaardige van Muybridge's bewegingsstudies is dat ze geen suggestie van beweging oproepen. Integendeel, ze laten losse stukjes stopgezette beweging zien. Onze ogen reconstrueren de sprong, de danspas, de galop; en hoe langer je kijkt, hoe complexer de beweging wordt. Er tekent zich wel een verandering af, maar de onderdelen van die verandering blijven bevroren fragmenten. Muybridge toont een verbrokkelde werkelijkheid. Het paard hangt gevangen boven zijn hindernis, de vrouw is voor eeuwig gefixeerd met een kopje thee in haar uitgestrekte hand. Wat we zien is geen beweging, maar stilgezette tijd. De filmcriticus André Bazin schreef in zijn boek What is cinema? (1967) dat fotografie de tijd balsemt. De fotografie heeft volgens hem een mummificerend effect. Muybridge's hartstochtelijke najagen van de beweging laat zien hoe juist de stelling van Bazin is.

Als er iets is waar Jan Dibbets niet op uit is, dan is het de verbeelding van een verbrokkelde werkelijkheid. Hij verbindt zijn foto's tot een afgerond beeld, hij weeft een web van dunne potloodlijnen op het papier die de compositielijnen van de foto's voortzetten, en schept zo in een groter geheel. Dibbets is dan ook geen fotograaf, maar een schilder. Voor hem zijn de foto's niet het doel, ze zijn het ruwe materiaal waarmee hij zijn kunstwerken maakt. Dit maakt de expositie jammer genoeg onevenwichtig: van Muybridge worden voltooide werken getoond, van Dibbets alleen de basis. De volgorde waarin de foto's op de contactafdrukken staan, is in het uiteindelijke kunstwerk vaak een heel andere.

De suggestie, gedaan door de documentatie in de vitrines, dat Dibbets een serieel kunstenaar zou zijn klopt dan ook niet - evenmin trouwens als Muybridge een voorloper was van de seriële kunst. Het serialisme (ontstaan begin jaren zestig) was een methode om tot een nieuw type abstractie te komen waarin ruimtelijke illusie volledig was uitgebannen. De compositielementen dienden volkomen gelijkwaardig te zijn, van een hiërarchische opbouw in de compositie mocht geen sprake zijn, spanningsmomenten werden vermeden. Schoonhoven bereikte dit door de herhaling van identieke elementen, Carl Andre en Sol LeWitt door de toepassing van modulaire systemen.

Het belangrijkste thema in het werk van Dibbets is juist de ruimtelijke illusie. Muybridge fotografeerde met behulp van stilstaande camera's beweging. Dibbets doet precies het omgekeerde: hij fotografeert met een verschuivende camera een statische wereld, bijvoorbeeld een binnenplaats of een duinenrij. De foto's verbindt hij zodanig met elkaar dat er een sterke illusie van ruimte ontstaat, en vaak ook, veel meer dan bij Muybridge, van beweging.

In zijn Panoramas, Dutch Mountains, Universes en Comets draait de camera om haar as, soms scheef ten opzichte van de aarde, soms loodrecht. We zien dat de aarde rond is, de horizon welft zich als een koepel. Ook gebouwen fotografeerde Dibbets met een draaiende camera: roosvensters kantelen tussen spitsbogen, waaiergewelven scheppen een eigen universum, net als de waaierpatronen in een bestrating; een glazen overkapping, het schaduwspel op een marmeren vloer, steeds ontstaat die overweldigende illusie van ruimte. En waar ruimte uitgesloten lijkt, zoals in de serie color studies, kleurstudies van glanzende motorkappen, ontstaat diepte, door de spiegeling in het verleidelijke aubergine, vanille of zeegroen van een peugeot.

Illusie

Wat is nu het verband met de film? Bij Muybridge is dat duidelijk: hij zocht naar film voordat die bestond. Maar het werk van Dibbets heeft heel weinig met film te maken. Bij hem ontstaat soms een illusie van beweging, maar altijd binnen het afgeronde geheel van één beeld.

Over het algemeen zijn de experimenten met de letterlijke beweging op het platte vlak in de beeldende kunst - zoals in de kinetische kunst van de jaren zestig - tamelijk vruchteloos geweest. Zelfs in de videokunst ligt de nadruk op een statische vorm. De videowerken van uiteenlopende kunstenaars als Bill Viola, Gary Hill en Bruce Nauman bestaan bijvoorbeeld uit een beperkt aantal beelden die steeds worden herhaald. En wanneer het aantal verschillende beelden in een videowerk groeit en er een verhaalstructuur ontstaat, wordt geruisloos de stap gezet van de beeldende kunst naar film - zoals gebeurt bij Georgina Starr en Jane & Louise Wilson. De aard van een beeldend kunstwerk is, hoe je het ook wendt of keert, statisch. Het ontwikkelt zich niet in de tijd; alleen de perceptie ervan verandert, maar dat is natuurlijk iets anders.

Op de tentoonstelling in Witte de With hangen ook drie prachtige tekeningen van Marcel Broodthaers, Cheval au galop getiteld. Op het eerste blad zien we een vluchtig getekend raster van horizontalen en verticalen, als het raster dat Muybridge gebruikte als achtergrond voor zijn bewegingsstudies. Tussen de lijnen tekende Broodthaers hier en daar grasachtige krabbeltjes. Op het tweede blad holt een vrolijk paard dwars over het raster: Cheval au galop avant Muybridge. Het laatste blad is het grappigst. We zien links en rechts wat losse paardebenen met hoeven uit het beeld verdwijnen: Cheval au galop après Muybridge.

    • Janneke Wesseling