Een voetbal is een restantje koe; Gesprek met kortsluiter Merijn Bolink

Merijn Bolink maakt van het materiaal van dingen en dieren diezelfde dingen of dieren na. Van een piano maakt hij twee piano's. “Als ik bijvoorbeeld een krokodil uit elkaar haal, heb ik het gevoel dat ik het snap. Weten hoe iets in elkaar zit staat dicht bij het bedenken ervan. Ik zou graag een hond of een kat uitvinden.”

Tentoonstellingen: Kunstvereniging Diepenheim, Grotestraat 17, Diepenheim. T/m 7 febr. Ma t/m vr 10.30-16.30u, za 14-16.30u, zo 12-16.30u. Op zo 21 jan. 16u. geeft Bolink een lezing. One Nature een Natuur. Arti et Amicitiae, Rokin 112, Amsterdam. T/m 4 febr. Di t/m vr 12-18u, za en zo 12-17u.

Twee dromen. In de eerste gaat hij op bezoek bij de Schepper. In zijn geval zijn dat er twee. Ze zien er net zo uit als zijn ouders. Hij mag ze één vraag stellen. Hij vraagt: Waarom besta ik? Het antwoord heeft hij niet onthouden.

In de tweede droom ontmoet hij een meisje. Hij vindt haar leuk; zij hem. Ze kussen; een kus die nooit meer eindigt. Als hij wakker wordt, is hij nog een week verliefd op haar, of op het, of op hen; hun lichamen waren een geworden.

Merijn Bolink (Amsterdam, 1967) vertelt ze alsof hij nog steeds verbaasd is dat hij dromen droomt die zo goed bij zijn werk passen. Op de spits gedreven eenvoud herhaalt zich in elk beeld. Verbluffing en vertedering is bijna elke keer het gevolg. Bolinks beelden zijn meestal dingen, dingen die al bestaan en die hij uit elkaar haalt en vervolgens verdubbelt of zelfs verveertienvoudigd. Er is waarschijnlijk geen kunstenaar voor wie het materiaal zozeer de inhoud van een werk bepaalt als Bolink. Soms begint hij niet met een, maar met twee dingen, die hij met dichterlijke vanzelfsprekendheid in elkaar laat veranderen. Tastbaar rijm is het resultaat. De kunstenares Merina Beekman noemde hem een materiaal-, de kunstcriticus Dominic van den Boogerd een zielsverhuizer.

Drie voorbeelden. Van krokodil maakte hij een krokodilletje.

Van een piano twee piano's.

Van een ladder en een eekhoorn maakte hij een eekhoornladder.

“Een eekhoorn klimt in een boom,” zegt Bolink, blond, klein en voorzichtig, “de ladder is gemaakt van hout. De eekhoorn is dubbel gevangen in zijn dagelijks bestaan. Hij is wat hij klimt en hij klimt.”

Een anekdote. Merijn Bolink liep op straat. “Ik zag een jongen fietsen. Toen dacht ik aan de Joegoslavische arbeider die zijn fiets gemaakt heeft (het was een oude fiets). Ik vroeg me af of die jongen wist wie zijn fiets gemaakt had en wat die arbeider dacht toen hij hem maakte.”

De fiets heeft nog niet tot een kunstwerk geleid. Een voetbal wel: “Als ik een leren voetbal zie, denk ik aan de koe waarvan die gemaakt is. Een voetbal is een restantje koe. Eigenlijk wil ik ook nog weten van welke koe, van een witte of een zwarte of een gevlekte. Als het een gevlekte was, had een van de vlekken dan misschien de vorm van een zeshoek? Zoiets kun je niet uitsluiten.” Eind vorig jaar maakte Bolink voor het Glazen Huis in Amsterdam een met behulp van een computerprogramma berekende kruising tussen een voetbal en een koe. Het lichaam is al een bal, een bal met poten, de kop lijkt op die van een eland.

Vier jaartallen. Bolink studeerde in 1992 af aan de Academie voor beeldende kunst (Aki) in Enschede. In 1993 had hij zijn eerste tentoonstelling bij galerie Fons Welters in Amsterdam. In 1994 was hij, met de eekhoornladder, de op een na jongste deelnemer aan de tentoonstelling Het grote gedicht. Nederlandse beeldhouwkunst na 1945 in Den Haag. Nu is bij de Kunstvereniging Diepenheim in Overijssel de eerste 'overzichtstentoonstelling' van Bolink te zien. Tegelijkertijd neemt hij met twee grote werken, waaronder de voetbalkoe, deel aan de expositie One Nature een Natuur bij Arti in Amsterdam.

“Als kind wilde ik al beeldhouwer worden,” zegt Bolink. “Ik haalde televisietoestellen en videorecorders uit elkaar en bouwde lichtsculpturen van tl-buizen en blokjes piepschuim. Mijn ouders zijn vioolbouwers. Misschien heb ik van hen de drang om iets te maken, om iets goed te maken, meegekregen. Na de middelbare school gaf ik me op voor de studie Industrieel ontwerpen in Eindhoven. Ik dacht dat ik iets nuttig moest gaan doen. Ik werd uitgeloot. Toen vroeg een oom van mij, een leraar aan de Aki, of ik daar niet een jaartje wilde komen. Ik ben er gebleven.”

Nog drie voorbeelden. Van het celluloid van de film The Early Birds maakte hij een vogel. Naast de vogel ligt het verweerde doosje waarin de film, die niet over vogels gaat, verpakt zat.

Van een kinderwagen maakte hij 14 kinderwagentjes, een van elk materiaal dat de oorspronkelijke wagen rijk was. De kinderwagen van de rubber wieldopjes is zo groot als een vingerhoed. Allemaal lijken ze precies op het origineel.

In de vloer van het Centraal Station in Maastricht zaagde hij een gat in de vorm van een symbolisch hart. Van dit hout knutselde hij een mensenhart. Miljoenen atomen. “Ik ben nieuwsgierig naar de aard der dingen, naar de natuur,” zegt Bolink in zijn huis in Amsterdam. Op de ijskast projecteert hij een dia van een bos. “Als ik een krokodil uit elkaar haal, heb ik het gevoel dat ik het snap. Weten hoe iets in elkaar zit staat dicht bij het bedenken ervan. Ik zou graag een hond of een kat uitvinden, zo'n dier zit zo goed in elkaar dat het net lijkt alsof het door iemand bedacht is.

Ik geloof niet in god, maar het gaat mij wel om de oude vraag waar kom je vandaan? Je bestaat uit atomen en die komen ergens vandaan. Er komen geen nieuwe atomen bij, dus in principe kun je ze terug in de tijd volgen. Een atoom dat nu in een pak sinaasappelsap zit, was in 1967 misschien wel moedermelk.''

Zeventien honden. Bolink schudt chips in een schaaltje en smeert toostjes met roquefort. In 1993 sneed hij een rundertong in de vorm van een lepel en vork. Dezelfde avond at hij een rundertong. Daarna besloot hij de organen van een hond in de vorm van een hond te snijden. De Britse kunstenaar Damien Hirst had toen al een in de lengte doormidden gezaagde koe en andere dode dieren geëxposeerd. “Over de hond heb ik een jaar nagedacht. Ik had alle organen in de diepvries liggen in mijn atelier. Ze waren afkomstig van een hond uit het asiel, een labrador. Ik had dit werk ook wel met een schaap of een geit kunnen maken, maar ik koos voor een hond omdat die zo dichtbij is. Honden worden doorgaans niet opgegeten. Ik wilde iets laten zien waar men doorgaans bang voor is en die angst vervolgens wegnemen. Ik was ervan overtuigd dat de hondjes schoonheid konden laten zien. Ik heb er een paar gemaakt, maar het deed de natuur geen recht. Het was arrogant, brutaal. Ik deed net of ik alles naar mijn hand kon zetten, alsof ik boven de natuur stond. Dat was mijn persoonlijke grens.”

Bolink heeft het werk daarom in polyester uitgevoerd. Het staat nu in Arti. Zeventien hondjes, een als darm beschilderde hond, een hersenhond, een harthond, twee nierhondjes, allemaal lopen in een steeds smaller wordende stoet achter de opgezette labrador aan, alsof ze weer in haar willen verdwijnen.

Een paar vergelijkingen. De beelden van Merijn Bolink veroorzaken kortsluiting in een klein circuit. Hij is geen surrealist als Meret Oppenheim die dingen samenbracht die niets met elkaar te maken hebben, zoals bont en een kopje; de dingen van Bolink hebben juist wel met elkaar te maken. Hij lijkt evenmin op Picasso, toen die de overeenkomst zag tussen een stierekop en een fietszadel. Bij Bolink gaat het eerder om overeenkomst in functie dan in vorm. Soms is het verband zelfs een beetje flauw, zoals bij het werk met de brandweerslang en de emmer; beide vervoeren immers water. Maar van dichtbij blijkt Bolink in staat het voordehandliggende in zijn voordeel te laten werken: de emmer is met brandweerslang bekleed. Heeft de slang de emmer ingeslikt of is de emmer bezig slang te worden, of is dat eigenlijk hetzelfde, is de slang hem aan het verteren? “Ik kocht de slang op een rommelmarkt in Lille,” vertelt Bolink. “Ik heb hem betaald met zo'n nieuw briefje van vijftig franc waar de kleine prins opstaat.” Eén cel. De ontelbare gedachten die om een werk van Bolink cirkelen, zijn waarschijnlijk voor geen kijker hetzelfde. Dat bevalt de kunstenaar. “Het zou saai zijn als iedereen er net zo over zou denken als ik.” De voorkennis die vaak nodig is om zijn werk te waarderen, moet de kijker zelf zien te verzamelen. Sprekend verwijst Bolink vaak naar de biologie. Zijn bronnen zijn een bevriende microbioloog, de media, kennis van de middelbare school en werken van andere kunstenaars die uit de wetenschap putten. Bolink spreekt over reproduceren, klonen, genetica. De polyester tijger die zich in Diepenheim door een rooster perst, kreeg van een bezoekend kind de opmerking 'dat hij graag wil ontsnappen' mee. Als de tijger zich door het rooster heeft geboord, verandert zijn lichaam in een aantal staven, als een aardappel die patat wordt. Elke staaf heeft een klein tijgerkopje gekregen. “Toen ik dat werk maakte, dacht ik aan de ontdekking dat elke cel in principe alles in zich heeft om een hele tijger te maken. Bij de kinderwagentjes heb ik daar ook aan gedacht. Ik hoorde pas van een microbioloog dat onderzoekers vrijwel alle genen van het fruitvliegje in kaart hebben gebracht. Ook het 'sterfelijkheidsgen' is ontdekt. Ze kunnen nu bijna de leeftijd van het vliegje programmeren. Van de mens zullen alle genen denk ik omstreeks 2010 in kaart zijn gebracht. Ik vraag me vaak af hoe onze hersenen er over 1000 jaar zullen uitzien. Misschien begrijpen we dan hoe de natuur in elkaar zit. Dat lijkt me niet verschrikkelijk. Misschien leren we er dan op een andere manier van te genieten.”

Twee zusjes. Een paar jaar geleden stierf een van Bolinks zusjes, de jongste van een tweeling. “Als ik werk, denk ik vaak aan haar. Ik draag mijn beelden aan haar op. Zo blijft ze misschien voortleven.” Een van zijn werken gaat direct over haar. Bolink maakte een foto van een tweeling met zeer verschillende gelaatsuitdrukkingen na in zeer verschillende materialen; het vrolijke meisje is bij hem van bont, het ernstige van een oude koffer gemaakt. One molen. De werken van Bolink hebben meestal geen titels. “Titels verstoren vaak meer dan dat ze versterken. Ik bedenk meestal wel een woordspelige titel voor een beeld. De wanmolen wilde ik bijvoorbeeld 'one molen' noemen, omdat het er eigenlijk twee zijn. Ik was voor dit werk op zoek naar een ingewikkeld apparaat dat aan zijn eigen functie te gronde kon gaan. In Frankrijk vond ik een wanmolen, een ouderwetse landbouwmachine die het kaf van het koren scheidt.Ik kocht er twee; een heb ik laten verpulveren. Het zaagsel heb ik later in de vorm van graankorrels geperst. Mijn werken moeten geen puzzels worden. Daarom is het toch weer zonder titel geworden.” Misschien is een titel voor de werken van Bolink dubbelop; zijn beelden zijn ook zonder naam al woordspelingen.

Tot nu toe werkte Bolink vooral met bestaand materiaal, met 'bezielde' voorwerpen. “Als een mens een ziel heeft, heeft een dier er ook één. Maar ook een kinderwagen heeft een ziel, zeker een gebruikte. De kinderwagen die ik heb benut, heb ik gevonden in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt. Er zat een vliegennest in, een stuiver, en een schakel van een armband.” Bolink werkt nu ook met 'onbezield' materiaal. Zo schiep hij onder meer de tijger, de voetbalkoe en een bronzen kopie van de menselijke hersenen waar in de kronkels de contouren van een beer, een kameleon en allerlei andere dieren zijn te herkennen. Maar de bezielde methode heeft hij niet verlaten, al breidt zijn magazijn middelen zich steeds uit. In Diepenheim staat nu achter een zwart gordijn een ouderwetse diaprojector. Bolink ontdeed het robuuste apparaat van kleur en letters. Van het snoer haalde hij het beschermende zwarte plastic af; de pastelkleurige draadjes liggen gezellig aan de voet van het ding. In de ruimte staat ook een moderne diaprojector. Met kleine tussenpozen projecteert deze een dia van de oude projector in originele staat óp de oude projector. De projector krijgt weer kleur, het gekleurde snoer wordt weer zwart; het apparaat is weer heel.

Nog een keer. “Toen ik voor het eerst een voorwerp, een stoel, uit elkaar haalde en verdubbelde, was ik erg enthousiast,” zegt Bolink. “Toch dacht ik dat het meteen ook het einde van de ingeslagen weg was. Een van mijn leraren op de Aki zei toen: je moet niet bang zijn om jezelf te herhalen. Je moet het gewoon nog een keer doen. Het is onzin dat je een uitvinding maar een keer mag gebruiken.”

Nog een keer. Bolink heeft nu zijn zinnen gezet op een secretaire, zo'n ouderwets bureau met een rolluik. Wat hij ermee gaat doen, weet hij nog niet. “Mijn ouders hebben er een, maar die is zo mooi, die wil ik niet gebruiken. Maar mijn exemplaar moet ook mooi zijn. Mensen vragen me vaak waar ik mijn 'rommel' vandaan haal. Maar ik gebruik bijna nooit rommel! Voor het werk met de piano's heb ik mijn eigen piano geofferd. Als ik niet iets van mezelf gebruik, heb ik liever dat het antiek is dan dat het van het Waterlooplein komt. Dan is het veel interessanter om er het mes in te zetten. Het doet pijn.”