Een Poolse op Texel; Hermine Landvreugd kiest in stilte voor de verbeelding

Hermine Landvreugd: Margaretha bleef het langst liggen. De Bezige Bij, 150 blz. Prijs: ƒ 29,50

Sinds de opkomst van de generatie Nix zijn onze letteren een personage rijker. Hij is even in de twintig, in de regel, en hij houdt zich staande in de grote stad, een oord waar niets meer waarde heeft en houvast geeft. Hij spreekt zijn medemensen aan met kankerturk en tyfuseend of breekt ze dadelijk de neus, van meer dan seksueel contact is zelden sprake. Hechten doet hij zich aan niets, wel heeft hij vaak een kien oog voor de labels op zijn shirts, de merknamen die hem als consument tenminste waarde geven. Zijn leven is een supermarkt en hij een winkelwagentje, hij rijdt tussen de schappen door en laadt van alles in, een upper en een downer, pulp-tv en zelfkastijding, seriemoorden, alles wat maar even prikkelt. Maar een winkelwagen blijft een winkelwagen, na een ronde langs de rekken staat hij weer leeg en wezenloos te wachten.

Zo, aldus de schrijvers van Nix, voelt de jeugd van thans - en zo, getuige hun pamfletten en vraaggesprekken, voelen zij ook zelf. Dat zal meteen de reden zijn voor de gebreken van hun eerste boeken. Rob van Erkelens, Hermine Landvreugd en Joris Moens, ze houden vaak zo weinig afstand van de sfeer die ze beschrijven dat hun eigen werk ermee besmet raakt. Rauw wil het zijn, het leven zelf, in losse brokken, one damn fact after another, zonder afgepaste plot, ontknoping of karakterontwikkeling. Het resultaat is heftig en toch meestal vlak, als lezer blijf je onder de gebeurtenissen even effen als de held.

Hoe maak je op papier iets wezenlijks van wezenloosheid?

In het eerste van de twee verhalen uit de nieuwe bundel van Hermine Landvreugd, Margaretha bleef het langst liggen, komt een vrouw aan het woord die bij de eerste oogopslag al onmiskenbaar Nix is. Na haar bardienst in een Amsterdamse schietclub laat ze zich versieren door een klant, Marlow, een 'nazi-skin' met stekelhaar en losse handen. Bij hem thuis hoort ze een potpourri van neo-Duitse liedkunst, vol rechte Polizei en Türkenfrei, en ziet hoe hij een padvindertje dat komt collecteren eerst een halfje XTC laat slikken, dan een centrumdemocratisch kapsel aanmeet en tot slot verkracht - hoewel ze van het laatste niet echt zeker is, ze was net even weggedommeld.

Maar dan, wanneer ze bij de skin in huis een rare stank ontdekt die van een buurman blijkt te komen, een travestiet die al een jaar of twee ligt te ontbinden, en meemaakt hoe een man een andere man neukt zonder condoom, wanneer de lezer kortom naar wat frisse lucht gaat uitzien - dan gebeurt er iets merkwaardigs, in de allerlaatste regels. Lopend naar het IJ stelt ze zich voor hoe het zou zijn als ze hier achtervolgd zou worden en zich zou verstoppen op een steiger, nee eronder, met de handen om het hout geklemd. 'Uitgeput hang je daar in het donker,' denkt ze, 'pijn in je milt van het harde lopen, je ademhaling probeer je tot rust te brengen door te luisteren naar het lome ritme van het klotsende water tegen de palen. Je doezelt, valt en voelt de kou niet eens. Het bloed klopt als een tijdbom in je slapen. That would be really nice.'

Het is nauwelijks een plot, of een ontlading, of een zelfinzicht, het is voornamelijk een onbestemd verlangen weg te zinken in een wezenloosheid die nog dieper gaat dan ze gewoon is, zachtjes, eeuwig, ongezien. Maar voor de lezer is het bijna of die tijdbom in je eigen hoofd zit, of die daar van meet af aan al heeft gezeten, vijftig bladzijden inmiddels - en ontploft. Het is een schok en een verlossing tegelijk, je gunt die vrouw de dood, en blijkbaar heeft de schrijver je dus heimelijk naar dat gevoel weten te manoeuvreren. Er is iets gebeurd, iets groters dan de woorden zeggen, en je ziet niet wat.

Zo stap je binnen in het volgende verhaal, meer een novelle eigenlijk, zo'n honderd bladzijden, en stuit op een heel ander personage. Marc is veertien en woont ver van de grote stad op Westend, een eiland als Texel, waar alles nog zijn oude waarde heeft en houvast geeft. Het leven wordt er opgeschrikt door de verschijning van een Poolse blonde, die via een bemiddelingsbureautje ('Duizend vrouwen willen graag trouwen') aangezocht is door een zwakbegaafde dorpsbewoner en meteen een vloed aan vooroordelen wekt. De moeder van Marc denkt dat ze een hoer is die hier mannen uit komt vreten, een vriend van Marc meent dat juist zij wordt uitgebuit. Marc zelf alleen heeft nog geen mening - hij gaat eerst eens kijken.

Daarmee doet hij iets waar niemand zich in Landvreugds werk aan waagt. Hij zet de stereotiepen en abstracties aan de kant en kijkt met eigen ogen - meer nog, leeft zich in, verplaatst zich in wat hij ziet. Hij heeft een groot talent om de buitenwereld naar zich toe te halen, eigen te maken, tot de kleinste kleinigheden. 'Langzaam viel de avond,' heet het bijvoorbeeld als hij zit te eten, 'met mijn vork duwde ik de stronken witlof door de jus, ze voeren weg van Westend, naar de rand van de wereld, om monsters te verslaan en ik help ze.' Hij stoffeert de wereld met zijn dromen en gedachten, zijn verbeelding, net zo lang tot hij er wonen kan.

Hij maakt het wezenloze wezenlijk.

Zie je dat gebeuren, dan begin je langzaam te begrijpen wat het einde van dat vorige verhaal zo schokkend maakt. Na vijftig bladzijden verdoving laat de vrouw daar, denkend aan het IJ, de steigers en het water, voor het eerst haar verbeelding werken. Maar ze maakt haar wereld daarmee niet bewoonbaar, ze bevestigt juist haar verlangen om aan de wereld te ontsnappen. Ze benut haar verbeelding, eindelijk, maar net op de verkeerde manier. Ze mist haar kans op leven.

Het knappe is dat Landvreugd haar heldin met die tournure niet alleen beschrijft maar ook, stilzwijgend, impliciet, becommentarieert - en als je nog eens terugleest zie je dat ze eigenlijk van het begin af aan al stelling heeft genomen. Van de eerste bladzij af, waar ze de kruitgeur in de schietclub associeert met 'het moment dat iedereen elkaar kust met Oud en Nieuw', zitten haar zinnen vol met kleine onderhuidse spanningen en geheimen. Ze roept meer op dan ze vertelt en kiest in stilte dus ook zelf voor de verbeelding. Margaretha bleef het langst liggen, mooi verhuld onder de oppervlakte van de woorden, legt getuigenis af van een doorslaggevende ontdekking in haar schrijverschap: je kunt schrijver zijn en je kunt Nix zijn, maar je kunt niet allebei zijn.

UIT: HERMINE LANDVREUGD, MARGARETHA BLEEF HET LANGST LIGGEN

'Abgestellte liebt man schon, egal was mann auch tut, kahlrasiert und tatöwiert, heissen sie asozial, die viele Lügen über uns, werden langsam zur Qual.'

Ik ben vrij goed in Duits, want ik versta alles wat Marlow zingt. Hier speelt mee dat ik de band ken, Störkraft. De volgende zin moet zijn: 'Wir sind Deutschlands rechte Polizei, wir machen die Strassen Türkenfrei.' (-)

Op zijn knieën zit Marlow voor het jongetje, duim startklaar op de knop van het scheerapparaat. Opeens trekt hij het hoofd naar voren. Zijn neus raakt bijna de kinderneus. 'Hé,' fluistert hij indringend, het jongetje moet zijn adem kunnen ruiken, 'jij bent toch geen joodje.' Bij elk woord geeft hij een rukje aan het hoofd. De ogen van het jongetje zijn groot, ze knipperen niet. 'Nee,' zegt hij fier en blijft Marlow strak aankijken. Had ik een beetje van die overtuigingskracht.

'Heel goed,' Marlow zet het apparaat aan, de zoem van het motortje is lager dan die van mijn lady-shave, want anders hadden wij hele andere dingen met jou moeten doen.'

Hij begint in de nek. Heerlijk, zo'n warme dwingende hand die je omlaag duwt.

    • Hans Goedkoop