'Duitsland komt deze zomer uit dal van de mini-recessie'

Duitsland steekt in een minirecessie”, zegt Norbert Walter. “De opleving is duidelijk afgebroken, maar er wacht ons geen diepe of langdurige val. Maar ik moet bekennen dat ik een beetje ongerust ben als men naar onzekerheden van dat scenario vraagt. Het monetair beleid is vermoedelijk nog onvoldoende expansief. Waarschijnlijk zal de Bundesbank, mocht het monetair beleid nog een tikje restrictief zijn, dat wel corrigeren met renteverlaging, daarover ben ik niet bezorgd. Al zou het kunnen zijn dat dat een beetje laat gebeurt. Maar financieel-economische zou het tot verkeerde reacties kunnen komen. In plaats van bezuinigen bijvoorbeeld belastingverhoging, die contraproduktief zou zijn.

“Baseline-scenario: we raken zomer 1996 uit het dal. Wisselkoers-ongerijmdheden verdwijnen gedeeltelijk. De dollar wordt sterker en de overwaardering van de D-mark vermindert, zoals trouwens al het geval is sinds herfst vorig jaar. Ik schat dat de dollar eind dit jaar tien procent hoger zal noteren dan eind '95, 1.60 mark dus, al houden veel collega's het op 1.50 mark. Natuurlijk moet men ook daar rekening met risico's houden. Als de dollar harder wordt vermindert de yen waarschijnlijk sterker in waarde dan Europese valuta. Dan wordt Japan daardoor op onze eigen markt weer een serieuze concurrent.

Maar het werkelijke risico zijn nieuwe Europese wisselkoersverhoudingen met een verdere opwaardering van de harde Europese valuta. Zeg als gevolg van problemen zoals rond Kerstmis in Frankrijk. Als de Franse frank devalueert, weet ik natuurlijk niet of dat een op zichzelf staande gebeurtenis blijft, of anderen dan niet volgen. Dat zou voor Hollanders, Oostenrijkers, Zwitsers, Duitsers een guur economisch klimaat kunnen meebrengen op de Europese markt. Het perspectief voor de muntunie zou dan heel anders zijn, en zonder Frankrijk komt zij er niet.''

Duitsland voldeed over 1995 niet aan alle EMU-voorwaarden. De toestand lijkt weliswaar niet zo ernstig als in Frankrijk, laat staan in Italië, maar toch is de economische weersvoorspelling voor de EMU snel verslechterd. Gaat de muntunie in 1999, mits het tenminste Frankrijk lukt zich te kwalificeren, door, en met hoeveel landen?

“Ik geloof voor 60 procent aan een EMU van zes à acht landen rond de eeuwwisseling. Met de 'outs' van de eerste ronde moeten we goede afspraken maken zodat sommige van hen, die zich inspannen en willen toetreden, een realistische kans hebben er twee tot drie jaar later ook bij te zijn. Ik bedoel landen als Italië en Spanje.”

Er bestaat, ook in Duitsland, bij groeiende groepen burgers het idee dat bij de EMU begrippen horen als modernisering, privatisering, deregulering - dingen die misschien wel goed zijn voor de economie, maar niet voor hen of voor hun kans op een baan, of het behoud ervan. Dat bepaalt de stemming én uiteindelijk ook het gedrag van politici, hoewel er in Duitsland op dat vlak de afgelopen jaren meer gepraat dan gedaan is.

“Correct. We leven met het resultaat van ons verkeerde gedrag dat maar langzaam zal veranderen. We hebben modellen waarin niet alle problemen van de wereld maar toch een aantal problemen beter worden opgelost. Willen we meer mensen aan werk helpen, is er bijvoorbeeld het Amerikaanse model.

Er bestaat ook een model Bündnis für Arbeit (Bondgenootschap voor werk), waarover nu druk wordt gepraat.

“Eigenlijk doen we al sinds 1975 aan zo'n Bündnis für Arbeit. En dat heeft in ons land, en in landen die met ons te vergelijken zijn en zich overeenkomstig gedragen, niet tot verbetering van werkgelegenheid geleid. Werktijdverkorting heeft niet tot meer werk geleid, maar tot een verzwakking van de economie en vermindering van de inkomensdynamiek. Wat wil zeggen dat we minder werk én minder inkomensdynamiek hebben. De Amerikanen hebben weliswaar vermindering van de inkomensdynamiek maar meer banen. Het Amerikaanse model is niet in elk opzicht verheugend, maar verheugender dan het onze. Daaruit zouden we volgens mij moeten leren. We zullen onze mentaliteit niet veranderen als we blijven geloven dat we een goed model hebben en dat slechts duistere machten ons geluk bedreigen. We moeten erkennen dat anderen met een ander model grotere vrijheden hebben bevochten en meer geluk hebben verworven.

Wat betekenen al die gesprekken en onderhandelingen over een Bündnis für Arbeit dan eigenlijk. Is dat een soort collectieve maskerade?

“Het is goed als mensen met elkaar praten in plaats van elkaar de koppen in te slaan en als ze de basisfeiten in de economie, als ze overweldigend duidelijk zijn, erkennen. Namelijk dat er een verband is tussen produktiekosten en de werkgelegenheid. De vraag is wél waarom iemand als IG-Metallvoorzitter Zwickel herfst '95 een Bündnis für Arbeit voorstelt nadat hij eerder dat jaar een tweejarige CAO had afgesloten die tot vernietiging van banen in de eigen sector voert. Maar politiek is het waarschijnlijk handig om anderen onder psychologische druk te zetten als men zelf zijn CAO tot 1997 al binnen heeft. Als andere bonden nu laag afsluiten is het reële loon van de metaalarbeiders natuurlijk veel waard. Maar met zulke cynische interpretaties ga ik niet door. We leven in een markteconomie en daarin beslissen niet werkgeversorganisaties of vakbonden over werkgelegenheid. Dat doen bedrijven die vertrouwen moeten hebben dat het proces dat op gang gebracht is hun een kans biedt om rendabel in Duitsland te blijven werken. Volgens mij is de noodzakelijke koerswijziging daarvoor nog niet gemaakt.

Voor 1996 wordt een lichte drukvermindering verwacht en daarmee een impuls voor de binnenlandse consumptie. Hoe is het met de aanbodkant?

“De aanbodkant van onze economie verbetert niet, omdat de randvoorwaarden niet verbeterd zijn en de ondernemingen en de burgers besloten hebben zich daarop in te richten. Ondernemingen verplaatsen delen van hun produktie naar het buitenland en werknemers werken steeds vaker 'Italiaans': my second job is my first interest. Dat geldt niet meer alleen voor Aziatische of Zuideuropese landen.

Duitsland staat voor een langere periode van jobless growth, het kent een overmaat aan regels en procedures, een inflexibele arbeidsmarkt. Het trekt te weinig geld uit voor research. Het heeft een dure munt, een reeks eigenlijk te dure of technologisch niet meer zo interessante produktietakken, een slecht bezet machinepark, en een bescheiden en heel ongelijk verdeelde economische groei, waarvan de 'groten' via afslankingen, rationalisties en modernisering veel meer profiteren dan de kleinen. Voorts exporteert Duitskland op grote schaal kapitaal en werk, naar lage-lonenlanden maar ook naar zijn EU-partners en de VS, concurrenten dus eigenlijk.

“We onderkennen die problemen en we hebben daarover een intensief en levendig debat gevoerd, maar we hebben besloten daarover niets te beslissen. Of in elk geval nog maar weinig te beslissen.”

Vorige week zei minister Rexrodt iets over een crisis, minister Waigel moest toegeven dat Duitsland over 1995 niet alle EMU-voorwaarden had voldaan en bevondien voor '96 nieuwe belastingtegenvallers moet vrezen, het aantal werklozen bleek op weg naar 4 miljoen, economische prognoses voor '96 werden neerwaarts herzien. Dat kreeg uiteraard veel aandacht. Kreeg toekomstminister Rüttgers niet te weinig aandacht voor zijn klacht dat Duitsland qua research en technologische vernieuwing te weinig presteert en van zijn reserves leeft?

“Dit land is achtergeraakt in wat technologiepausen 'sleuteltechnologieën' noemen. Dat had te maken met gegroeide technologie-vijandigheid en een zekere moeizaamheid van onze researchcentra, deels ook met gebrek aan geld. Maar wij zijn nog steeds enorm beweeglijk en agressief op het gebied van de technologie vlak onder de top, de traditionele technologie, zo u wilt. We zijn zeer goed in sectoren van de machinebouw, zeg papier-, druk- en sigarettenmachines, waar Duitsland wereldmonopolist is. Voor vele kleine auto-onderdelen heeft onze toeleveringsindustrie ook nagenoeg monopolieposities. Daarbij zijn natuurlijk altijd sleuteltechnologieën nodig, maar daarvan kan men relatief snel gebruik leren maken. Duitsland heeft ook op traditionele economische terreinen als de elektro- en auto-industrie goede marktaandelen, daar valt nog uitstekend geld te verdienen. Wij zijn maar met 80 miljoen mensen en passen goed in Nischen (beperkte marktsectoren), dat zou voor Amerikanen en Japanners veel moeilijker zijn.”

Dat klinkt enigszins als: weliswaar zijn de schoenen waarop we lopen niet de modernste, maar we lopen er aardig op en zo lang ze niet kapot zijn gaan we er maar op door.

“Als men ver teruggevallen is in bepaalde sectoren kan men niet meer door alles from scratch te maken en zelf op te bouwen zo'n achterstand inhalen. Dan moet men importeren en imiteren.”

Zoals het computerhart van de grootste Duitse bank, de Deutsche Bank, en de know how en het bijbehorende personeel uit de VS komen?

“Ja. Wij moeten door mergers en import van licenties en kennis de aansluiting kopen die we op bepaalde terreinen hebben verloren. We moeten onze jonge mensen, omdat ons eigen opleidingssysteem niet meer aan de hoogste eisen voldoet, vaker laten opleiden in het buitenland. Zoiets moeten we niet een of twee jaar maar een decennium of langer doen voor we op zulke gebieden weer een eigen, succesvolle strategie kunnen ontwikkelen. Dat geldt voor heel Europa, we zijn een continent dat teruggevallen is in vergelijking met Noord-Amerika. En in vergelijking met Japan en enkele andere Aziatische staten, maar dat ligt gecompliceerder. De echte concurrent op gebieden waar wij wat kunnen zijn de VS. Daarbij kunnen we, als we bereid zijn iets van Amerikanen te leren, weer aansluiting vinden in, zeg, een halve generatie tijd. Onze samenleving is ook het beste te vergelijking met de VS, wij zijn westerlingen.”

Klinkt nog steeds als 'laten we doormodderen'.

“Wat moet je tegen die lui doen? Ik hoop dat jonge Duitsers ongeduldiger zijn dan ik. En dat zij, voor zij zich gefrustreerd in de vervroegde uittreding terugtrekken, voor een omwenteling zorgen en hun eigen toekomst vorm geven. Maar we hebben intussen alweer jaren verslapen. En de tijd is krap, omdat goed opgeleide jonge mensen er nog maar kort in voldoende aantallen zullen zijn.”

Hoezo, emigreren ze?

“Dat ook. Maar vooral: we krijgen sinds 1975 geen kinderen meer! We hebben nog maar 60 procent van de kinderen van vroeger, voor 1975. Ongeacht de vraag of ons opleidingssysteem minder geworden is, als de basis waaruit we putten van 100 tot 60 versmalt, is dat op zichzelf al dramatisch.”