De dreigende ondergang

FOKKER STAAT OP het punt van omvallen. In Den Haag demonstreerde vandaag het personeel van de vliegtuigfabrikant, terwijl elders in de stad het vermoedelijk finale onderhoud plaatshad tussen de top van Daimler-Benz, dat voor dochterbedrijf Fokker een levensvatbare toekomst moet schetsen, en een delegatie van het Nederlandse kabinet, dat voor een enorme bijdrage in de financiering is aangeslagen. Begin volgende week beslissen de Duitse commissarissen of ze bereid zijn Fokker open te houden. Zonder verregaande toezeggingen van Den Haag ziet het er somber uit. Minister Wijers (economische zaken), gesteund door kabinet en Kamer, geeft geen krimp. Terecht. Ruim twee miljard gulden voor het openhouden van één bedrijf met een onzekere toekomst, ook ná de gevraagde kapitaalsinjectie, op de grillige wereldmarkt voor regionale verkeersvliegtuigen, is buiten proportie.

Heeft DASA zich misrekend en gehoopt dat het Nederlandse kabinet toeschietelijker zou zijn, onder druk van een laatste publieksgolf solidariteit met de nationale vliegtuigbouwer? Of bestaat er geen geloofwaardig onderbouwd bedrijfsplan? En verder: is de poging om Fokker onder te brengen in een Europees consortium gestrand en zoekt DASA wanhopig naar een overheidsbijdrage om het maandelijks verlies van honderd miljoen gulden bij zijn Nederlandse dochtermaatschappij te dempen? De nakende teloorgang van Fokker is in ieder geval een onderdeel van het debâcle dat zich afspeelt bij het grootste Europese industriële complex, het Daimler-Benzconcern, waarvan DASA de lucht- en ruimtevaartdivisie is. In dat perspectief moet ook de opstelling van het Nederlandse kabinet worden gezien.

HET KABINET heeft zich bereid getoond een aanzienlijk bedrag uit te trekken voor Fokker - maar niet om miljarden in een uitzichtloos avontuur te storten. Industriebeleid betekent niet dat de verliezen bij één specifiek bedrijf onder alle omstandigheden gedekt worden. Ook niet als het gaat om een concern dat de kern vormt van een industrieel cluster van hoogwaardige technologie en dat uitstraling heeft naar toeleveringsbedrijven en onderzoeksinstituten. In het ergste geval, als alle directe en indirecte banen in de Nederlandse vliegtuigbranche verloren zouden gaan, betreft het een verlies aan werkgelegenheid dat met twee maanden van de huidige banengroei weer is goedgemaakt. Gespecialiseerde werknemers vinden, zoals ook bleek na de ondergang van DAF Trucks begin 1993, gemakkelijk weer nieuw werk.

VOOR HET PERSONEEL van Fokker is de opstelling van het kabinet niettemin buitengewoon wrang. Het bedrijf en de betrokken vakbonden hebben het afgelopen jaar op alle mogelijke manieren hun best gedaan om de crisis af te wenden. Het personeelsbestand is gehalveerd, de salarissen zijn verlaagd, de inkoopcontracten zijn herzien en de produktie is stukken efficiënter geworden. Sterker: er is volop werk bij Fokker. Maar op ieder verkocht vliegtuig wordt zo'n groot verlies geleden dat het bedrijf al sinds de herfst van vorig jaar technisch bankroet is en slechts met de garanties van DASA open wordt gehouden. Dat kan, iedere ondernemer en vakbondsbestuurder weet het, niet lang worden volgehouden. Het getuigt van politieke moed dat ook het kabinet deze bedrijfseconomische les van de verlies- en winstrekening onderschrijft.

NEDERLAND IS GEBAAT bij een bloeiende, hoogwaardige industrie. Dat vraagt om een algemeen bedrijfsvriendelijk economisch klimaat en desnoods om tijdelijke, specifieke steun in uitzonderingsgevallen. Maar een dramatisch verliesgevend bedrijf tegen de verdrukking in openhouden, louter omdat het een industrie met een trotse historie betreft, heeft geen zin.

In zijn algemeenheid biedt een faillissement de mogelijkheid om na een financiële herstructurering de activiteiten te redden die levensvatbaar zijn. Zie bijvoorbeeld de gang van zaken bij DAF Trucks. In de vliegtuigindustrie is zo'n technisch bankroet om allerlei redenen veel moeilijker te realiseren dan in andere bedrijfstakken. Maar onmogelijk is het niet, dus ook die route zal grondig moeten worden onderzocht. Verder dienen Nederland, Fokker, DASA en Daimler-Benz zich dringend te bezinnen op de kernvraag: de toekomst van de Europese vliegtuigindustrie. Wat er ook van Fokker overblijft, moet daarin worden ondergebracht.