De dood past als een jurk; Germaine Greer over de tragiek van dichteressen

Germaine Greer erkent in haar nieuwe boek Slip-shod Sibyls dat er bij de allergrootste dichters in de geschiedenis geen vrouwen zitten. Ze wijt dat niet zonder meer aan miskenning of gebrek aan kansen. “De laatste anderhalve eeuw heeft de mythe dat er een speciale vorm van dichteressen-tragiek bestaat, veel schade aangericht.”

Germaine Greer: Slip-Shod Sibyls. Recognition, Rejection and the Woman Poet. Uitg. Viking, 517 blz. Prijs ƒ 63,- (geb.).

Er zijn schrijvende vrouwen in Nederland wier belangrijkste thema is: het bestaan van de schrijvende - althans werkende - vrouw. Zij vormen aldus hun eigen universum, en dat heeft iets bizars. Het doet denken aan de bekende zes antiquairs, die leven van het steeds doorverkopen van één en dezelfde kast.

In haar boek Slip-shod Sibyls schetst Germaine Greer een andere variant van zo'n cirkelbestaan. Veel van de beroemdste dichteressen van de twintigste eeuw, schrijft zij, hebben niet alleen op diverse manieren hun eigen levens verwoest, maar worden ook bewonderd om de gedichten die daarover gaan.

Het boek staat vol met zulke bondige, kritische uitspraken. De titel is afkomstig uit een satirisch epos van de dichter Alexander Pope (1688-1744), waarin een 'sjofele Sybille' de Koning der Domkoppen naar de onderwereld voert. Als je Slip-shod Sibyls wilt samenvatten, gaat dat ongeveer zo: vrouwelijke dichters zijn in de laatste vijf eeuwen even vaak over- als onderschat. Het was vaak buitengewoon moeilijk voor ze om hun eigen toon en onafhankelijkheid te bewaren; collega's, uitgevers en lezers hebben altijd met ze gesold, om nog te zwijgen van de literatuurhistorie. En de laatste anderhalve eeuw heeft de mythe dat er een speciale vorm van dichteressen-tragiek bestaat, veel schade aangericht.

Je zou haast zeggen dat Germaine Greer op haar oude dag ineens veel strenger is geworden voor haar seksegenoten. Zij erkent dat er bij de allergrootste dichters in de geschiedenis geen vrouwen zitten, en wijt dat niet zonder meer aan miskenning of gebrek aan kansen. Wel, ten dele, aan de sociaal-culturele rol van de vrouw, die leidt tot een spanning tussen observeren en gezien worden waartegen maar weinig dichteressen bestand zijn geweest. (Zij voegt eraan toe dat het effect hiervan moeilijk is te meten.)

Die kritische houding maakt dit boek leuk. De achtergrond moet zijn dat Germaine Greer hier schrijft over haar eigen academische specialisme, de literatuurgeschiedenis. In zijn eigen vak is de mens al gauw conservatiever dan in aangelegenheden waar hij minder verstand van heeft.

Greers speurtocht naar dichteressen (zij vindt poetess een scheldwoord, maar dat is geen reden om een volstrekt normale Nederlandse term in de ban te doen) begint bij Sappho. In een sprankelend essay wordt uitgelegd hoe bitter weinig over Sappho bekend is, en hoe zij al eeuwenlang dient als symboolfiguur op wie alles geprojecteerd kan worden van damesliefde tot levenslang smachten naar een onbereikbare Man - en, hoe kan het anders, een volstrekt onbewezen zelfmoord. Met grote belezenheid en veel poëzie-voorbeelden zet Greer uiteen wat de verschillende Sappho-vorsers echt hebben ontdekt en wat zij maar beweren. Haar felle stijl houdt de zaak levendig.

Er volgen zes uitvoerige essays op Greers eigen vakgebied, de Engelse poëzie van de zeventiende tot de negentiende eeuw. Zes vrouwen behandelt zij, waarbij ook voor een leek duidelijk is dat zij zowel feministische als conventionele literatuurhistorici regelmatig tegen de schenen schopt. Maar de portretten, bijvoorbeeld dat van Anne Wharton (1632-85), een begaafde nicht van de beroemdere John Wilmot, graaf van Rochester, die haar als dichter heeft overvleugeld, zijn plausibel en menselijk. Het laatste essay gaat over Christina Rossetti (1830-94), de pre-Rafaëlitische dichteres wier tragiek volgens Greer was dat zij eigenlijk verteerd werd door verlangen naar haar broer, Dante Gabriel Rossetti.

O Earth, lie heavily upon her eyes;/ Seal her sweet eyes weary of watching, Earth;/ Lie close around her; leave no room for mirth/ With its harsh laughter, nor for sound of sighs. Zo begint een van de bekendste sonnetten van Rossetti; het toont volgens Greer de 'diepe, complexe perversiteit' van deze dichteres, een perversiteit die nooit tot haar bewonderaars, laat staan tot haarzelf, is doorgedrongen.

Valkuil

Al deze schrijfsters (voor wie Greer overigens wel degelijk waardering heeft) hebben volgens haar legio moeilijkheden gehad, ze zijn ondergesneeuwd, verkeerd begrepen en zelfs herschreven, maar het was niet zo dat zij als dichtende vrouwen niet geaccepteerd werden. Ook in de laatste eeuw, waarover het uitvoerige slothoofdstuk gaat, was acceptatie niet het probleem.

Maar de romantisch-tragische traditie in de poëzie werd in deze tijd juist voor de vrouwen onder de dichters een extra valkuil. Elizabeth Barrett Browning (1806-61) bijvoorbeeld, die haar beroemde Sonnets from the Portuguese opdroeg aan haar man, de dichter Robert Browning, wordt door Greer genadeloos als neurotica geportretteerd. Haar poëzie was pijnlijk autobiografisch en Browning zelf, die als dichter meer voorstelde, heeft alleen maar last gehad van deze vrouw die zichzelf tot haar eigen meerdere glorie te gronde richtte.

Nog een hele reeks dichteressen krijgt er van langs. Anne Wickham, die zich verhing in 1947, werd in haar eigen tijd als een groot dichteres beschouwd. Wanhoop was haar handelsmerk, feministen droegen haar op handen, maar Greer laat geen spaan heel van haar, noch haar gedichten. Ook Sylvia Plath, de Amerikaanse die in de jaren zeventig voor een hele generatie tot een symbool van vrouwenleed werd, wordt niet gespaard. Zij was volgens Greer net zo vol van eigenwaan als Browning. 'Zij had zichzelf zo vaak verwoord dat de kern van waarheid was weggesleten,' schrijft zij over Plath' zelfmoord in 1963; 'de enige manier om hem terug te krijgen was, het waar te maken.'

Dichteressen als Plath speelden, flirtten, koketteerden met de dood, pasten hem aan als een jurk (met de woorden van de Russin Marina Tsvetajeva, die zich in 1941 het leven benam.) Soms klinkt Germaine Greer als de directrice van een kostschool, die zich opwindt over de onverantwoorde avonturen van haar meisjes. Terloops moppert zij over een bijziende dichteres, die liever wilde worden gezien zonder bril, dan zelf te kunnen zien mèt bril. Onwillekeurig bladert de lezer even naar de foto op het stofomslag: en ja, op de neus van Greer zelf prijkt uitdagend een leesbril.

'Zelfs waar de poëzie goed is, misschien wel juist waar de poëzie goed is, is de vernietiging van de vrouw een te hoge prijs,' schrijft zij op een van de laatste bladzijden. Dat is wat zij in dit vlammende slot-essay te beweren heeft. Terwijl mannelijke dichters zich bijna altijd instinctief richtten naar een literaire school, of naar geestverwanten, om niet in solipsisme te vervallen, verdwaalden veel dichteressen (zoals de dichteres Anne Stevenson zei) op de ego-heuvel, of stortten in de ellendeput. Zij kannibaliseerden zichzelf en werden daarin aangevuurd door een publiek dat het drama aanzag voor grote poëzie.

Kort geleden schreef Gerrit Komrij in deze krant meewarig over het idee van poëzie als uitdrukking van gevoelens: '(-) met de hand van de ziel en de voet van het gemoed geschilderde klankportretjes, die niets met poëzie hebben uit te staan'. Gerrit Komrij op één lijn met Germaine Greer! De alliantie is des te opmerkelijker omdat Komrij het opschrijft over naamloze anderen, als contrast met een sterk gedicht van een vrouw: 'Luchtige liedjes' van Jacqueline van der Waals.

Dit is natuurlijk meer toeval dan iets anders. Maar het versterkt de indruk dat de geschiedenis van de Nederlandse poëzie er, waar het vrouwen aangaat, anders uitziet dan de Angelsaksische - tenminste zoals Greer die schetst. De Nederlandse dichteressen van de twintigste eeuw, aangevoerd door Ida Gerhardt, M. Vasalis en Annie M.G. Schmidt, hebben toch voor het merendeel niet dat zelfopvretend tragische.

Alleen al om die indruk te toetsen krijg je zin in een boek als dat van Greer, maar dan over de Nederlandse letteren. Een boek dat desnoods eenzijdig is, maar wel leesbaar, kritisch en leerzaam. Helaas: te vrezen valt dat de literatuurhistorica die dit met even veel verve als Greer kan schrijven, nog geboren moet worden.

    • Ileen Montijn