Bij iedere stop een moord; Dolende tieners in nieuwe Los-Angeles-film van Araki

De films van de Amerikaanse regisseur Gregg Araki spelen in 'de hoofdstad van de vervreemding', Los Angeles. Zijn nieuwste film The Doom Generation, die op het Filmfestival Rotterdam in première gaat, is opnieuw “een cynische, soms ronduit smakeloze cocktail van teenage Angst, excessief geweld, perverse seks en Amerikaanse snelwegcultuur.”

'The Doom Generation' van Gregg Araki wordt vertoond tijdens het Filmfestival Rotterdam. Totally F****d Up is op video uitgebracht door Home Screen (Cinemien). Te zien: Thalia (25/1, 22.15u); Lumière 1 (26/1, 10.15u en 28/1 0.15u); Kriterion (26/1, 22.00u)

Het leven in Los Angeles, supermarkt van de twintigste-eeuwse Amerikaanse cultuur, is een onuitputtelijke bron voor kunstenaars met een satirische kijk op de moderne samenleving. Sinds Nathanael Wests apocalyptische Hollywoodroman Day of the Locust (1939) is 'L.A.' uitgegroeid tot een symbool voor alles wat er mis kan gaan bij het najagen van Amerikaanse grondrechten als vrijheid en levensgeluk. In de romans van Raymond Chandler, in de popsongs van Randy Newman en The Doors, en in films als Sunset Boulevard en Barton Fink, wordt de stad van funlovers en filmsterren verbeeld als een gevaarlijk paradijs - een plaats waar hedonisme gemakkelijk kan omslaan in verveling, en ongebondenheid in geweld en perversie.

Ook in de films van de geruchtmakende cultregisseur Gregg Araki (1961) geldt Los Angeles als 'wereldhoofdstad van de vervreemding'. “L.A. is so fuckin' weird,” zegt de hoofdpersoon van Araki's voorlaatste film Totally F***ed Up (1994) tegen zijn vriendje, en hij vertelt hem het verhaal van een gigantische file die ontstond toen een dakloze zich te slapen legde op een druk kruispunt: “Niemand wilde uit zijn auto komen. Iedereen staarde hem wezenloos aan en reed langzaam om hem heen.”

Het L.A. van Araki is een stadslandschap van snelwegen, parkeergarages, benzinestations, billboards, fastfoodrestaurants, Stop 'n' Shops en etalages - alles badend in paars-blauw neonlicht en gefotografeerd vanuit onverwachte hoeken. De jongeren die er doorheen lopen of rijden, maken evenmin een vrolijke indruk. Ze leven in kale, claustrofobische kamertjes en communiceren via antwoordapparaten en videobrieven. 'Bored out of their pores', zijn ze naarstig op zoek naar iets dat hun leven zin kan geven, of het nu extremistische rock is (“Ga je mee? De Kamikaze Dildoes spelen in The Hellhole”) of kinky sex. In veel opzichten lijken ze op de jonge Angeleno's uit Bret Easton Ellis' beroemde L.A.-roman Less Than Zero, maar ze zijn minder rijk en als het erop aankomt minder nihilistisch. Sommigen geloven zelfs in de liefde. Want, zoals een lesbienne in Totally F***ed Up vastberaden in de camera zegt: “there's gotta be something you can cling to besides TV.”

Homo movies

Er is nog een opvallend verschil tussen Araki's personages en die van Ellis: de meeste zijn homoseksueel. Vanaf zijn debuut Three Bewildered People in the Night (1987) heeft Araki zich nadrukkelijk gepresenteerd als de maker van 'homo movies'. Zijn beste film, The Living End (1992), is een homoseksuele versie van Godards A bout de souffle waarin de helden niet alleen op de hielen worden gezeten door de politie, maar ook door aids; Totally F***ed Up geeft een deprimerend beeld van de eenzaamheid van een groepje homoseksuelen in Los Angeles. Beide films zijn zelfs geëngageerd te noemen; ze getuigen van woede tegen een maatschappij die homoseksuelen laat verrekken. Zo begint de ene met een krantenbericht over het grote aantal zelfmoorden onder homo's, en eindigt de andere met de opdracht 'Voor de honderdduizenden slachtoffers van aids en de vele honderdduizenden die nog zullen sterven dankzij een groot wit huis vol met republikeinse klootzakken.'

In Araki's recentste film, die op het Filmfestival Rotterdam zijn Nederlandse première beleeft, is maar een van de drie helden homoseksueel; de ondertitel van The Doom Generation luidt dan ook 'een heteroseksuele film van Gregg Araki'. Wat niet wil zeggen dat Araki zijn extremisme heeft laten varen en aansluiting zoekt bij de mainstream: The Doom Generation is opnieuw een cynische en soms ronduit smakeloze cocktail van teenage Angst, excessief geweld, perverse seks en Amerikaanse snelwegcultuur. De film is gedrenkt in het koude neonlicht en de sick humor waar Araki patent op heeft; wat hem onderscheidt van de twee vorige is de surreële kwaliteit van het plot.

The Doom Generation is een road movie over drie dolende tieners: de halfslachtige geliefden Amy en Jordan, en de duivelse indringer Xavier, die ze redden uit de handen van moordlustige skinheads. Wanneer Xavier de eigenaar van een supermarkt het hoofd afschiet (het gevolg van een ruzie over een rookverbod), begint een naar niets leidende reis langs motels, benzinestations, drankzaken en truckerscafés. Bij iedere stop valt een dode en wordt Xavier een steeds grotere (seksuele) obsessie voor Amy en Jordan. Het is een odyssee die pas eindigt wanneer ze in een schuur waar ze overnachten in handen vallen van sadistische neo-nazi's.

$6.66

Subtiel kun je The Doom Generation niet noemen. De apocalyptische reis van Amy, Jordan en Xavier - telkens wanneer ze afrekenen bij een kassa wordt $6.66 aangeslagen - is zo gewelddadig dat de film in Amerika werd vergeleken met Oliver Stone's Natural Born Killers; soms heb je het gevoel dat je naar een splatter movie zit te kijken. Maar gelukkig neemt Araki zijn eigen horror niet serieus; geweld wordt tot lachwekkende proporties uitvergroot: het hoofd van de supermarkteigenaar blijft doorpraten als het afgeschoten op een schaal ligt, de man die door een geweerschot geraakt wordt jammert 'Geef me mijn arm terug,' terwijl rechts in beeld een bloederige arm ligt. Pythoneske horror is voor Araki een van de manieren om de dreigende atmosfeer van L.A. in de jaren negentig concreet te maken.

In een recent interview naar aanleiding van The Doom Generation onderstreepte Araki dat zijn films niet draaien om seks en geweld, maar om “liefde en zuiverheid... love in the face of chaos. Je zou ze pop romantic kunnen noemen: op hun eigen zwarte en verknipte manier zijn ze heel onschuldig en naïef, omdat ze krampachtig vasthouden aan de notie van liefde in een wrede en vijandige wereld.”

Misschien is The Doom Generation niet het beste voorbeeld om deze stelling kracht bij te zetten. De film gaat over de liefde, dat wel, maar het is het soort liefde dat de gemiddelde bioscoopbezoeker niet gauw zal ontroeren. “Ik zou willen dat we tegelijkertijd sterven,” zegt Amy tegen Jordan, “bijvoorbeeld in een auto-ongeluk of een atoomaanval,” “Oh Amy, you're so romantic,” antwoordt haar vriendje, waarna hij door Amy met Xavier bedrogen wordt.

Gregg Araki's zwarte romantiek is overtuigender in het onlangs op video uitgebrachte Totally F***ed Up, en in The Living End, drie jaar geleden nog een 'Cinema-Primeur' bij de VPRO-televisie. Jon en Luke, de naar Araki's grote voorbeeld Jean-Luc Godard vernoemde hoofdpersonen van The Living End, vormen een klassiek liefdespaar en zijn niet zomaar komische instrumenten in handen van de satiricus. En de homoseksuele jongeren uit Totally F***ed Up zijn helden van vlees en bloed die sympathie afdwingen, hoe blasé ze ook mogen overkomen. Want hun lot in de woestenij van L.A. is even tragisch en hopeloos als dat van de vogel die het onderwerp is van een video-monoloog van Andy, een van de ongelukkigste personages uit Totally F***ed Up: “Ik zag eens een zeemeeuw op de snelweg. Hij vloog heel laag... hij werd meegezogen door al de rijdende auto's. Hij kon niet wegkomen... hij sloeg als een gek met zijn vleugels. Hij was doodsbang dat hij verpletterd zou worden door een vrachtauto. Maar hij kon gewoon niet wegkomen.”

Als Andy is uitgesproken, wordt het videobeeld zwart, en verschijnen als postscriptum in grote blauwe neonletters twee woorden op het scherm: 'GAVE UP'.

    • Pieter Steinz