Verder met Sorgdrager

HEEL SNEL WAS de oppositie er vorige week bij om minister Sorgdrager van justitie naar de Tweede Kamer te roepen om opheldering te verschaffen over de nieuwste wending in 'de zaak Van Randwijck'. De brief waarin de minister zou reageren op berichten over de werkelijke ontslagreden van de Amsterdamse procureur-generaal werd niet afgewacht. Het debat was reeds aangevraagd voordat minister Sorgdrager haar kijk op de kwestie had kunnen geven. De vraag na de ontmoeting van gisteren tussen minister en Kamer is of, als vorige week de gebruikelijke procedure was bewandeld, het debat eigenlijk wel zou hebben plaatsgehad. Echt veel op te helderen had Sorgdrager niet meer. En veel verwijten kon de Kamer haar niet maken.

Dit neemt niet weg dat de Tweede Kamer vorige week in eerste instantie terecht verbaasd was over de gang van zaken rondom het vertrek van Van Randwijck. Er bleken stukken te zijn waarin zwart op wit werd gesproken over reorganisatie-ontslag. Toen minister Sorgdrager in het Kamerdebat van eind oktober werd gevraagd of deze reden van ontslag aan de orde was geweest, ontkende zij. Op het eerste gezicht lijkt er dan sprake van het onjuist informeren van de Tweede Kamer.

Minister Sorgdrager had de Kamer indertijd zorgvuldiger kunnen antwoorden. Zij gaf dit gisteren ook toe. Bewuste misleiding of het verstrekken van onjuiste informatie kon haar echter niet worden verweten. Het begrip reorganisatie-ontslag was in een verkennend gesprek met procureur-generaal Van Randwijck slechts gevallen om hem op een “elegante” manier te kunnen laten vertrekken. Voorop stond het disfunctioneren. Vraag blijft wel of die duidelijkheid jegens Van Randwijck in het eerste gesprek is betracht. Zo niet dan zal het smoesje van het reorganisatie-ontslag later ongetwijfeld de onderhandelingspositie van Van Randwijck hebben versterkt en is het een staaltje van knullig personeelsmanagement. IN SPORTTERMEN VERTAALD heeft de minister het debat van gisteren gewonnen. De oppositie zag er niet eens brood in om naar aanleiding van haar optreden een motie in te dienen. Daarmee werd toegegeven dat deze zaak geen zaak was. Het verweer van CDA-woordvoerder Van der Heijden dat zijn fractie geen behoefte had aan het indienen van een motie van wantrouwen, omdat dit al tijdens het eerste Van Randwijck-debat zonder resultaat was gebleven, sneed geen hout. In het eerste debat ging het om de gouden handdruk aan de Amsterdamse procureur-generaal. Maar wat gisteren centraal stond was of de minister de Tweede Kamer al dan niet onjuiste informatie had verstrekt. DE MINISTER KAN blijven zitten. Daarmee is het debat geëindigd - zoals van tevoren was voorspeld. Iets anders is of zij ook versterkt uit het debat is gekomen, zoals D66-fractievoorzitter Wolffensperger na afloop stelde. Het parlementaire ongenoegen dat rondom Van Randwijck is ontstaan, heeft zij vorig jaar voor een belangrijk deel zelf veroorzaakt. Formeel heeft Sorgdrager toen het door haar geëiste vertrouwen van de Tweede Kamer gekregen. Maar voor gezag is meer dan afgedwongen vertrouwen nodig. Wat dat betreft geldt voor Sorgdrager hetzelfde als wat zij vorig oktober in de Tweede Kamer zei over Van Randwijck: vertrouwen herwinnen heeft twee kanten. Men moet het verwerven, maar de omgeving moet het ook kunnen geven.