Vakbeweging moet op zoek naar nieuw historisch compromis

Waar moet het heen met de vakbeweging? Het naoorlogse compromis tussen politiek, werknemers en werkgevers staat sterk onder druk van de globalisering van de economie. Politici omarmen de markt, signaleert Hugo Levie, terwijl het juist de hoogste tijd is voor een revitalisering van de veel bekritiseerde overleg-economie.

Ergens rond de Tweede Wereldoorlog hebben de meeste West-Europese vakbonden een historisch compromis gesloten met de overheid en werkgevers. Vanaf dat moment tot op heden was de dominante stroming in de vakbeweging in West-Europa sociaal-democratisch.

Misschien was het ontstaan van de Stichting van de Arbeid in 1945 wel het moment waarop in Nederland dat historisch compromis beklonken werd. Achteraf gezien kan dat historisch compromis als volgt omschreven worden: vakbonden aanvaarden een kapitalistische economische ordening en de werkgevers en liberale en confessionele partijen en werkgevers-organisaties werken mee aan de opbouw van een welvaartsstaat. Dit compromis heeft het beleid van FNV en CNV en hun voorgangers sinds 1945 bepaald.

Aan het eind van de twintigste eeuw lijken sommige werkgevers en heel wat politici afscheid te willen nemen van dit compromis. Politici hebben het over de 'stroperigheid' van de overlegeconomie. Ze zeggen dat ze het primaat van de politiek willen herbevestigen; ze bedoelen dat ze zoeken naar een rol voor de overheid ná de welvaartsstaat. Politici omarmen de dynamiek van de markt, en scheppen daarmee een dilemma voor zichzelf. Want wat is het primaat van de politiek als de markt de maat van alle dingen is? Wat er overblijft van de openbare voorzieningen, van maatschappelijke organisaties, zelfs van de democratie, moet later blijken. Als er geen consensus is over het soort samenleving dat politiek, werkgevers en werknemers willen helpen maken, dan is er ook geen reden voor gezamenlijk overleg, laat staan voor gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het historische compromis wordt ondermijnd en de Nederlandse vakbeweging moet haar karakter veranderen.

Tussen markt en overheid zijn drie soorten vakbonden denkbaar: liberale, sociaal-democratische, en anti-kapitalistische. Mengvormen zijn er natuurlijk volop, andere types vakbonden bestaan niet. Een liberale vakbond probeert de bestaanszekerheid van zijn leden op de markt te regelen. Het is een bond voor een specifieke belangengroep op de arbeidsmarkt. De markteconomie wordt aanvaard en economische sturing en medezeggenschap zijn nauwelijks issues.

Een sociaal-democratische, of in het vervolg Rijnlandse vakbond, aanvaardt het kapitalisme, met enige bijsturing, maar verwacht veel van de overheid, voor alle burgers. Een anti-kapitalistische vakbond bestrijdt de markt-economie en heeft het daar moeilijk mee, zoals de geschiedenis van de ABVV in België en CGIL in Italië en nog sterker de CGT in Frankrijk en de CCOE in Spanje laat zien. Men gelooft in een toekomstige gemeenschap van alle burgers, maar wantrouwt de welvaartsstaat; men gelooft in collectieve actie, maar heeft het moeilijk met de democratie.

Bij de Nederlandse welvaartsstaat hoort een Rijnlandse vakbeweging. Overleg, compromissen, flexibiliteit en vooral een forse dosis marktregulering en bovenal zeer goede collectieve voorzieningen. Dat is het klimaat waarin een Rijnlandse vakbeweging gedijt. Discussies over 'voordelen voor leden', de toenemende nadruk op ledenservice en het verzekeringswerk van de vakbeweging, alsmede de grote problemen rond het werkgelegenheidsbeleid van de vakbeweging wijzen allemaal in één richting: we worden Amerikaanse, liberale vakbonden. We kiezen voor onze leden en hun primaire inkomen en laten alle hoop varen dat de werkgelegenheid anders te sturen is dan via de markt.

Mijn conclusie is dat een koerswijziging voor de Nederlandse vakbeweging ook niet gemakkelijk is. Een anti-kapitalistische vakbeweging lijkt een anachronisme, maar de meer voor de hand liggende keuze voor een liberale ideologie lijkt mij ook weinig kansrijk.

Ligt de oplossing in een keuze voor het decentrale niveau? Al heel lang worstelen de FNV en het CNV met de verhouding centraal-decentraal. De afgelopen jaren hebben verschillende bonden besloten het decentrale niveau te versterken om dichter bij de leden te zijn en meer deskundigheid per bedrijfstak te kunnen organiseren. Door het bedrijfs- en bedrijfstakniveau te versterken kan de relatie met de leden verbeterd worden.

Hiermee is de problematiek waar het hier om gaat nog niet opgelost. Het is een noodzakelijke aanpassing van de organisatie, maar het is geen keuze tussen liberaal of Rijnlands. Ook bij een meer decentraal georganiseerde vakbond blijven de vragen actueel over de drie andere kenmerken van een Rijnlandse vakbeweging: universalisme, vertrouwen in de overheid en marktregulering.

Welke keuzes zijn er voor de Nederlandse vakbeweging? De conclusie zou een sombere kunnen zijn. De 'rode droom' is iets voor een mooie historische overzichtstentoonstelling, zoals eind 1995 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Na de val van de Berlijnse Muur rest ons nog slechts één droom: The American Dream. We nemen afscheid van onze zorg voor de samenleving als geheel, we aanvaarden dat de overheid zich terugtrekt ten voordele van de markt en we proberen onze leden niet langer op basis van idealen te binden.

Die meer Amerikaanse (of Engelse) vakbondsstrategie lijkt echter ook weinig kansrijk. Ook dáár is de organisatiegraad de afgelopen tien jaar gekelderd tot een historisch dieptepunt. Door de veranderde inhoud van beroepen en door de flexibilisering van de arbeidsmarkt lijkt de klassieke anglo-amerikaanse vakbondsstrategie van job-control tegenwoordig weinig kansrijk. Het zou wellicht alleen kunnen als bonden na een eeuw van fusies de trend uit het bedrijfsleven zouden volgen naar steeds kleinere eenheden.

In de Amerikaanse vakbeweging is een discussie gaande om 'Europeser' te worden en meer te investeren in medezeggenschap. Daarnaast is er een discussie om uit de cultuur van 'business unions for insiders' te breken. Maar de mogelijkheid voor de Amerikaanse liberale vakbonden om voor een meer Rijnlandse koers te kiezen lijkt bepaald niet groot.

Terug naar Nederland. Onder invloed van die American Dream schaft de politiek sluipenderwijs en niet altijd zo bewust de welvaartsstaat af. En de vakbeweging rest weinig anders dan schoorvoetend volgen. Het vertrouwen in de overheid is al fors afgenomen. Dat geldt voor de meeste vakbonden in Noordwest-Europa.

De overheid trekt zich terug en de vakbeweging keert zich vervolgens van die overheid af. Sociale zekerheid wordt tot een minimum teruggebracht. Gezondheidszorg, volkshuisvesting en onderwijs: op elk van deze klassieke pijlers van de welvaartsstaat heeft de overheid het moeilijk. Er is twijfel aan de eigen mogelijkheden, collectieve uitgaven gelden in toenemende mate als fundamenteel negatief en het geloof in de doelmatigheid van de markt overheerst. In de Tweede Kamer lijkt geen draagvlak meer te bestaan voor het Rijnlandse model. Een liberaal geloof in de markt heeft de overhand, gekoppeld aan de behoefte de rol van de overheid te verminderen.

Onder de Nederlandse bevolking is nog steeds een draagvlak voor de welvaartsstaat. FNV-enquêtes laten zien dat leden en niet-vakbondsleden een voorkeur hebben voor collectieve sociale zekerheid boven individuele, particuliere verzekeringen. Uit een onderzoek over de gezondheidszorg dat het NIPO onlangs uitvoerde, blijkt dat 89 procent van de Nederlanders vindt dat de ziektekostenpremie inkomensafhankelijk dient te zijn en 86 procent zegt: 'Ik zou me schamen als arme mensen in Nederland slechte zorg zouden krijgen'. De individualisering, in de zin van 'ieder voor zich', is dus onder burgers minder ver doorgeschoten dan onder politici.

Dat doet vermoeden dat er ruimte is voor een reanimatie van het Rijnlandse model. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat globalisering en regulering van de economie niet per definitie tegenstrijdig zijn. Uitgangspunt zal ook moeten zijn dat onderbesteding en gebrek aan koopkrachtige vraag even slecht zijn voor het bedrijfsleven, hoe internationaal ook, als vijftig jaar geleden. Het derde uitgangspunt is dat de overheid moet optreden en niet terugtreden in een moderne, kennisintensieve samenleving zonder al te schrijnende tegenstellingen.

Ik denk dat de vakbeweging een bijdrage kan leveren aan de reanimatie van het Rijnlandse model. In zijn kern zal het om een contract tussen burgers en overheid moeten gaan. Het zal weer duidelijk moeten zijn wat de samenleving van de burgers mag verwachten en wat burgers van die samenleving mogen verwachten. Op alle klassieke terreinen van de welvaartsstaat zal die verhouding weer duidelijk moeten zijn, zoals hij de afgelopen vijftien jaar steeds onduidelijker is geworden.

Daarbij gaat het natuurlijk niet om het opnieuw uitvinden of herbevestigen van bureaucratie. Het gaat ook niet om een standaardmix van markt en overheid. Wel lijkt me duidelijk dat de echte vragen voor een reanimatie van het Rijnlandse model de komende jaren gaan over de toegankelijkheid van voorzieningen, over het recht op arbeid en over het nut en de maakbaarheid van de overheid.

Zo zal het de komende tien jaar om spannen of er voor mensen met een laag inkomen betaalbare huisvesting blijft, of dat de marktgang van de woningbouwcorporaties en de vermindering van rijkssubsidies dat onmogelijk maakt. Ten aanzien van de volksgezondheidszorg is het de vraag of het lukt de kosten van de zorg te beheersen zonder de toegankelijkheid en de kwaliteit voor mensen met een laag inkomen aan te tasten. Ook hier is denkbaar dat een verdere marktgang van de ziekenfondsen tot een wezenlijke verandering leidt. Het grootste risico is dat bijna iedereen uiteindelijk naar Amerikaans model meer betaalt voor een kwalitatief mindere zorg.

Op het terrein van het onderwijs zou ik juist hopen op meer markt. Misschien dat juist in het onderwijs, net als in de ouderenzorg, een systeem van persoonsgebonden budgetten de balans tussen persoonlijke keuzes en maatschappelijke kwaliteit kan herstellen.

Op twee terreinen kunnen FNV en CNV een bijzondere bijdrage leveren. Ten eerste is het hard nodig dat de Nederlandse vakbeweging een eigen internationale agenda heeft. Het reanimeren van het Rijnlandse model is geen zuiver Nederlandse zaak. Door meer samenwerking met buitenlandse vakbonden kan er aan het draagvlak voor 'menselijk kapitalisme' gewerkt worden. Ten tweede pleit ik voor een nieuw historisch compromis. Een herijking aan de basis van de verzorgingsstaat die voor alle partijen kan leiden tot meer zelfvertrouwen en meer duidelijkheid over de eigen rol en die van de andere partijen.