Rubber en olifanten bedreigen Bengaalse theetuinen

Hogere produktiekosten en lagere opbrengsten werpen een schaduw over de toekomst van de eeuwenoude thee-industrie in Bangladesh. De Bengaalse rubberplantages, die sinds kort in ontwikkeling zijn, zijn een nieuwe uitdaging voor de theehandelaars en -planters. Verscheidene theebedrijven hebben hun activiteiten al naar de rubberindustrie verschoven, omdat die lage investeringen vergt en hoge opbrengsten geeft.

“Thee-ondernemingen schakelen om tot rubberplantages. Ze denken dat het beter is af te zien van het dure herstel van de oude theetuinen en tegen lage kosten rubberplantages op te zetten”, zegt Kazi Erfanullah, manager van het theelandgoed Neptunes. De Bengaalse theeproduktie daalde door het slechte weer afgelopen jaar met 5,1 miljoen kilogram, aldus bronnen in de markt. De totale produktie voor dit jaar wordt geschat op circa 45 miljoen kilo, ongeveer drie procent van de wereldtheeproduktie. Tweederde daarvan wordt geëxporteerd.

Volgens Rasul Nizam, voorzitter van National Brokers Ltd., was verreweg het grootste deel van de Bengaalse theeproduktie traditioneel bestemd voor de export. “Maar sinds de regering zich inspant de levensstandaard in Bangladesh te verbeteren, zal er hier misschien een kopje thee meer gedronken worden. Dit zal de lokale markt versterken”, zegt Nizam. “Onze thee is goed en de prijzen zijn concurrerend.”

Polen is de grootste afnemer van Bengaalse thee, met jaarlijks een aandeel van vijftien tot twintig procent van de totale export van dertig miljoen kilo. Andere kopers zijn Jordanië, Soedan, Iran, India, Pakistan en Rusland. India, dat zelf een grote theeproducent is, koopt de Bengaalse thee vooral om hem te mengen met Indiase thee.

Volgens Erfanullah heeft het gebrek aan onderhoud van de theeplantages de lagere produktie veroorzaakt. “De ervaren theeplanters migreerden nadat Bangladesh de theebedrijven nationaliseerde toen het land in 1971 onafhankelijk werd. Later, na een privatiseringsprogramma, kwamen de tuinen in verkeerde handen terecht”, zegt hij. Het onderhoud op vele plantages verslechterde volgens Erfanullah door gebrek aan expertise en onoordeelkundig management. “Tachtig procent van de tuinen is niet afgedekt, wat leidt tot ziekte en een daling van de opbrengst. Er is ook sprake van een wijdverbreid vellen van bomen.”

Bangladesh heeft met negenhonderd kilo per hectare een lage theeopbrengst vergeleken met achttienhonderd kilo in India, tweeduizend op Sri Lanka en drieduizend in Kenia. Volgens Erfanuallah produceerde Neptune, dat eigendom is van Ispahini Ltd., twaalfhonderd kilo per hectare als gevolg van een beter management en meer ervaring. Volgens officiële statistieken hebben 59 van de 156 Bengaalse theeplantages een opbrengst die lager is dan vierhonderd kilo per hectare.

Een andere bedreiging voor de theeplantages zijn de wilde olifanten die uit de heuvels in het buurland India komen. Een kudde van vijftien olifanten bestormde onlangs de Neptune-plantage in Fatikchhari, zo'n zestig kilometer van de havenstad Chittagong. De olifanten doodden één planter, maakten planten met de grond gelijk en vertrappelden barakken. Erfanullah: “Deze olifanten zijn niet langer bang voor tromgeroffel of brandende toortsen. Ze vernietigen de gewassen in het veld.”

Het landgoed van Erfanullah is 1.075 hectare groot, waarvan 206 hectare voor thee gebruikt wordt en tweehonderd voor rubberbomen. Volgens een uitbreidingsprogramma zal de theetuin groeien met 277 hectare en de rubberplantage met ongeveer honderd. “De plantage van rubber is winstgevender door de lagere produktiekosten. Het is makkelijk om RSS (Ribbed Smoke Sheet, een halffabrikaat dat ontstaat bij het roken van latex, red.) te maken”, zegt Erfanullah. De produktiekosten van RSS bedragen zestien tot twintig taka (0,65 tot 0,80 gulden) per kilo, terwijl de marktprijs zeventig taka bedraagt (2,80 gulden). (Reuter)