Normaal of hyperactief

Niet alleen de behandeling van aandachtstekortstoornissen met hyperactiviteit (ADHD) verschilt in Amerika en Europa enorm, maar ook de diagnostiek. In Amerika bestaat een lange traditie om ADHD op te vatten als een biologisch bepaalde afwijking en er bestaat weinig terughoudendheid bij de diagnostiek. Sommige onderzoekers concluderen zelfs dat twintig procent van de kinderen aan ADHD leidt. In Europa daarentegen heeft men langer vastgehouden aan de gedachte dat de symptomen psychologisch bepaald zijn en alleen in de ergste gevallen is men bereid om over een stoornis te spreken. Europese onderzoekers komen daardoor uit op een prevalentie van zo'n twee procent. ADHD laat zien dat het in de psychiatrie moeilijk is een scherpe grens te trekken tussen normaal en gestoord. Er bestaat een geleidelijke overgang.

Het beeld over de oorzaken van ADHD is ook onduidelijk. Er is in ieder geval sprake van een erfelijke component. Eeneiige tweelingen hebben vaker allebei ADHD dan twee-eiige. Daarnaast blijkt de kans op ADHD verhoogd te worden door complicaties tijdens de geboorte, roken tijdens de zwangerschap, een kleine schedelomvang tijdens de geboorte, bepaalde stofwisselingsziekten en hormonale afwijkingen. Tot slot zijn ook psychologische factoren van belang. Ruzieënde ouders en een vijandige ouder-kindrelatie verhogen de kans op ADHD, hoewel men nooit met zekerheid kan stellen wat oorzaak en gevolg is.

ADHD lijkt te ontstaan door een complex samenspel van biologische en psychologische factoren. Dit blijkt ook uit het feit dat hyperactief gedrag bij jonge kinderen die in instellingen opgroeien samengaat met een betere aanpassing op latere leeftijd. Misschien komt dit doordat drukke kinderen in een instelling meer aandacht van volwassenen trekken.

    • Ad Bergsma