Nederlander wil voor beter milieu geen hogere lasten

DEN HAAG, 18 JAN. Waar de overheid het accent in het milieubeleid verlegt van voorschriften naar vrijwillige medewerking, ziet een meerderheid van de bevolking meer heil in wettelijke maatregelen. Althans, als een beperking van het autogebruik daarbij wordt uitgezonderd. Ook mag zo'n afgedwongen milieubeleid geen hogere kosten voor het levensonderhoud met zich meebrengen.

Er bestaat weliswaar een draagvlak voor milieubeleid, maar tussen houding en gedrag gaapt een kloof. “Willen de mensen zich milieuvriendelijk gaan gedragen, dan moet het hen wel erg gemakkelijk gemaakt worden.”

Dat schrijft het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het vandaag gepubliceerde rapprt 'Publieke opinie en milieu'. De studie is de eerste van een reeks en gemaakt op verzoek van minister De Boer (milieu). Juist omdat de aandacht in het milieubeleid verschuift naar maatschappelijk aanvaarde doelen wil de minister meer weten over de houding van de bevolking. Voor 'Publieke opinie en milieu' heeft het SCP zich voornamelijk gebaseerd op gegevens uit 1993.

Uit de studie blijkt dat een meerderheid van de bevolking zich zorgen maakt over het milieu. Hoewel die ongerustheid in de tijd gemeten onderhevig is aan concurrentie van bijvoorbeeld criminaliteit en werkloosheid bekommeren steeds meer mensen zich in ieder geval wel een beetje om het milieu.

Zestig procent van de bevolking zegt dat men “met eigen ogen de achteruitgang van het milieu ziet”. Eigen gezondheid en de toekomst van de kinderen worden er volgens hen door bedreigd. Meer dan driekwart vindt dan ook dat de overheid de milieuvervuiling moet bestrijden. Zelf zou men er ook graag wat aan willen doen, waarbij de eigen goede wil hoger wordt ingeschat dan die van de buren. Maar de mogelijkheden worden 'beperkt' genoemd.

Nog geen veertig procent acht zichzelf in staat effectief de milieuverontreiniging aan te pakken. Industrie en landbouw zouden dat wel kunnen - en moeten daartoe dan ook worden gedwongen. Anders doen ze het toch niet, is de gangbare opvatting. Op de vraag of de overheid ook de burger “moet dwingen het milieu te sparen”, antwoordt tachtig procent met 'ja'.

Maar als het op dergelijke maatregelen aankomt, wordt de gemiddelde Nederlander snel minder enthousiast. Voorschriften voor hoeveelheid en soort verpakkingsmateriaal zijn oké, maar 55 procent is '(sterk) tegen' hogere belastingen op energie of benzine. Laat staan dat er een milieubelasting op auto's zou moeten komen om van dat geld het openbaar vervoer te verbeteren. Hogere prijzen hebben de voorkeur boven meer belasting, waarschijnlijk omdat die door een ander aankoopgedrag kunnen worden ontweken. Want terwijl zeventig procent van de bevolking bereid blijkt ten behoeve van het milieu hogere prijzen voor produkten te betalen, zou slechts de helft een lagere levensstandaard accepteren.

Een vergelijkbare terughoudendheid spreekt uit het concrete milieugedrag. Een meerderheid van de bevolking doet aan afvalscheiding, maar in de winkel wordt niet of nauwelijks gelet op de verpakking of op informatie over mogelijke milieu-effecten van het produkt. Onbespoten groente wordt niet veel gekocht en slechts een enkeling overweegt af te zien van vlees om redenen van milieu. Dubbele ramen en geïsoleerde spouwmuren zijn meestal geen eigen initiatief.

In ieder geval is kostenbesparing dan vaak het belangrijkste argument, net als bij het lager draaien van de verwarming in geval van afwezigheid, de lamp uitdoen bij het verlaten van een kamer en het dichttrekken van de gordijnen. Van de autobezitters rijdt de helft 'soms' minder auto omwille van het milieu, bijna dertig procent 'nooit'.

Kortom, de Nederlander gedraagt zich ten opzichte van het milieu minder consequent dan hij erover denkt. Zijn zorgen zet hij bij voorkeur om in 'giraal activisme'. Bijna de helft van de bevolking gaf in 1993 geld aan een milieugroepering. Maar waarvoor die groeperingen zich precies inspannen weet men waarschijnlijk niet altijd, want met de kennis van milieuproblemen is het slecht gesteld. Van acht vragen hierover werden niet meer dan drie door een duidelijke meerderheid van de bevolking goed beantwoord. Meer dan zestig procent van de Nederlanders denkt dat het broeikaseffect een gevolg is van een gat in de dampkring.

Uiteindelijk vallen de ondervraagden in te delen in zestig procent met overwegend lage scores en veertig procent die redelijk hoog scoorde. Deze milieuvrienden bevinden zich links of in het midden van het politieke spectrum. Ze zijn middelbaar tot hoger opgeleid, waarbij een sociaal-culturele opleiding de beste waarborg voor milieuvriendelijkheid blijkt te zijn. Bij de groep dertig tot vijfenvijftigjarigen zijn vooral de linkse vrouwen milieu-minded.

Ouderen maken zich minder bezorgd om het milieu en onderscheiden zich niet in het bijzonder door milieuvriendelijk gedrag.

Al deze resultaten heeft het SCP vergeleken met die uit onderzoek in Duitsland, Engeland, Ierland en Italië. Het blijkt dat de Nederlanders zich minder zorgen maken over het milieu, maar wel meer offerbereidheid vertonen. In milieubewust gedrag neemt ons land een middenpositie in, terwijl de milieurisico's van de auto hier te lande meer gebagatelliseerd worden. Slechts een kwart van de Nederlanders noemt vervuiling door auto's een gevaar voor het milieu, een aandeel dat zich in de andere landen beweegt tussen de 45 (Ierland) en 63 procent (West-Duitsland). Ook in milieubewust aankoopgedrag is het voormalige West-Duitsland koploper.

De conclusie moet zijn dat Nederlanders de neiging hebben zelfgenoegzaam en ideëel op milieuproblemen te reageren. De goede bedoelingen zijn groot, maar veel zorgen hoeven we ons niet te maken want in Nederland valt het wel mee.

Op dat laatste wijst ook het feit dat de ondervraagden bevolkingsgroei als een relatief gering milieurisico zien, terwijl ons land toch een zeer hoge bevolkingsdichtheid heeft. Factoren als tijd, geld, gemak en gelegenheid vormen forse barrières als het gaat om milieuvriendelijk gedrag. Het draagvlak voor milieubeleid zou kunnen afbrokkelen als de kosten van levensonderhoud toenemen door hogere energieprijzen of als de auto wordt bedreigd.