Logeren in de forten van Ghana; Pelgrimsoord in Afrika

Met vereende Ghanees-Amerikaanse krachten wordt het toeristische aanbod van Ghana opgewaardeerd met een luxehotel, een expositie over de slavenhandel en 's wereld langste 'canopy walkway'. Sommige forten worden tot guesthouse omgebouwd. Maar in fort Elmina, waar tienduizenden slaven gevangen zaten, zijn frivole activiteiten verboden. Wie zou er ook willen overnachten? In de trieste kerkers doet geen mens een oog dicht.

Een avondwandeling door het Ghanese vissersplaatsje Elmina is een ervaring. Overal onderbreken kleine olielampen met warm geel schijnsel het witte licht van de laagstaande volle maan, net genoeg om te zien hoe honderden donkere blikken me zwijgend volgen terwijl ik dorpinwaarts loop. Aan weerszijden van de zandweg staat het vol verkooppunten voor aardnoten, sinaasappels, bananen, brood, cassave, en vooral veel gerookte en ongerookte vis. In een straal van zeker vijftien meter om mij heen ligt alle handel stil en ik trek een smal spoor van malaise door deze toch al niet zo welvarende streek.

Aan de andere kant van het stadje raast de branding. Een stenen brug voert over een lagune vol houten vissersboten, en daarachter verrijst loodrecht de spierwitte buitenmuur van het enorme kasteel St George d'Elmina: massief en ongenaakbaar op een klif in de oceaan, dreigend in het koude maanlicht en de warme tropennacht. Wat deze stenen hebben gezien, zal bezoekers tot in de verre toekomst met huiver vervullen. Tussen het begin van de zestiende en het eind van de negentiende eeuw arriveerden hier tienduizenden slaven, de overlevenden van de lange voettocht uit het diepe binnenland, hun geboortegrond. Ze waren gevangen door leden van de kuststammen en gingen hier van de hand in ruil voor ondermeer vuurwapens om nieuwe slaven te vangen. In het kasteel stonden Portugezen, vanaf 1637 Nederlanders, gereed met gloeiende brandmerkijzers. Vervolgens wachtte het wachten in weerzinwekkende kerkers, een paar dagen of wekenlang, tot een zeilschip ze naar een nieuwe wereld bracht.

In 1482, tien jaar voordat hij die nieuwe wereld ontdekte, logeerde Columbus in Elmina. De mijn was toen net opgeleverd - elf jaar nadat de Portugezen erachter kwamen dat grote hoeveelheden goud en ivoor hier tegen spotprijzen werden aangeboden. Thuis hadden ze vast de stenen gebakken, de specie voorgemengd, en de deuren, kozijnen en ander houtwerk op maat gezaagd. Honderd bouwvakkers hadden de klus er in zes weken opzitten. De carrévormige versterking met binnenplaats was het eerste Europese gebouw in de tropen en het concrete begin van het kolonialisme. Alleen daarom al is dit vaak verbouwde pand een van de scharnierpunten van de wereldgeschiedenis. Als eerste van ruim dertig handelsforten in het huidige Ghana was Elmina ook het startpunt van de slaventransporten naar Amerika.

De marsen op Washington van Martin Luther King tot en met Louis Farrakhan begonnen eigenlijk hier: onzichtbaar lopen de roots van zwart Amerika door deze architectonische puzzel. Dat doen ze al eeuwen, maar pas sinds een jaar of twee beseffen de levende nazaten van de slaven het op grote schaal. In 1993 trok Elmina 20.000 bezoekers, het jaar daarop 10.000 meer. Aan de rand van het vissersplaatsje is een groot luxehotel in aanbouw. Het één na grootste slavenfort, Cape Coast Castle, heeft sinds kort een perfect vormgegeven expositie over de slavenhandel (met dank aan de Smithsonian Institution in Washington).

Met vereende Ghanees-Amerikaanse krachten wordt het toeristische aanbod van Ghana's Central Region sinds kort opgewaardeerd en uitgebreid. Om de root-zoekers ook wat anders te bieden dan alleen de trieste forten, kreeg het natuurreservaat Kakum Forest vorig jaar Afrika's eerste en 's werelds langste canopy walkway. Een half uur met een taxi landinwaarts vanaf Cape Coast, kan je over zwiepende, maar verder erg veilige touwbruggen vierhonderd meter tussen de kruinen van ongerept regenwoud lopen. Dertig meter boven de grond biedt het oerwoud een spectaculaire aanblik: een contrast op niveau met de oude gebouwen waarvoor bijna alle buitenlanders hier in eerste instantie komen.

Behalve triest, zijn de forten ook boeiend en mooi. Vooral het oudste exemplaar is een cultuurhistorische oase voor de tropisch georiënteerde toerist. Elmina heeft de afmetingen van een groot flatgebouw op z'n zijkant, met in het midden een forse uitsparing waarin weer twee andere gebouwen staan. De binnenplaats van 50 bij 25 meter wordt voor een derde in beslag genomen door een kerkgebouw, en aan de andere zijde leidt een zeer brede trap naar het bordes van het oude kasteel. Een verkwikkende oceaanbries begeleidt een rondgang over het dak, terwijl binnen- en buitenzijde van het pand zich als een wisselend spel van witgepleisterde geometrische vormen aan de wandelaar presenteren.

Honderd meter landinwaarts verrijst de heuvel waaraan Den Haag zijn schilderijenmuseum heeft te danken. Dat zit zo: Johan Maurits van Nassau was Nederlands eerste en enige gouverneur-generaal van Brazilië. Om aan dat project zoveel mogelijk geld over te houden - ondermeer om het Mauritshuis te bouwen - had hij zoveel mogelijk slaven nodig. Sinds 1612 had Nederland één eigen fortje: zelfgebouwd, en dat was stom. Verovering van wat er al stond was veel slimmer dan doe-het-zelven in de tropenhitte. In 1621 had Piet Hein al een vergeefse poging gedaan Elmina vanuit zee te veroveren. In 1637 merkte Van Nassau dat het wel lukte vanaf land, vanaf de heuvel in het bijzonder: na een artilleriebarrage van enkele dagen was Elmina van de West-Indische Compagnie.

Om herhaling van het kunstje te voorkomen, werd op de heuvel zo snel mogelijk een nieuw fort gebouwd, Coenraadsburg, aanzienlijk kleiner dan Elmina maar met een nog veel grootser uitzicht. Het is daarom ideaal als guesthouse. Dat was het ook tot 1986, toen verval en wanbeheer inzetten. Deze zomer, hooguit de volgende, wordt de heropening verwacht. Dat hier alleen soldaten bivakkeerden is voor een logement ook een pluspunt, want in de slavenkerkers van Elmina doet geen mens een oog dicht.

Dat maakt overigens weinig verschil, want licht komt er nauwelijks. De muren voelen klam, en het ruikt er naar het nijlpaardenhuis in Artis. Een paar ijzeren kogels herinneren nog steeds aan wat hier gebeurde.

Alle Ghanese forten liggen aan zee, de meeste heel strategisch op een natuurlijke verhoging. Hoe strategisch wordt duidelijk als ik bij de stad Sekondi foto's maak van het kleine Fort Oranje, waarschijnlijk uit 1704. Nu is het in gebruik als vuurtoren en in de diepte ligt een Ghanese marinebasis. Als ik weer weg wil met de taxi houden twee aangeschoten marinemannen in burger me staande. Tien keer herhalen dat ik hun werkplek helemaal niet gefotografeerd heb, helpt weinig. Desgevraagd houdt de minst nuchtere van de twee op tien centimeter voor mijn ogen een plastic pasje - now you know who I am!!! - waarna ik hem mijn perskaart laat zien, en de rel compleet is. Mijn driekoppige Ghanese escorte, onder wie de taxichauffeur, neemt het met veel stemverheffing voor me op, ook tevergeefs.

In één kleine taxi rijden we gezessen naar de marinebasis, waar vier inzittenden direct in verzekerde bewaring verdwijnen. Mijn Ghanese vrienden laten onze bewakers in duidelijke termen weten dat deze actie het toerisme even weinig bevordert als de staatsveiligheid. Het loopt natuurlijk goed af, sterker nog: allerhartelijkst gaan arrestanten en marinepersoneel anderhalf uur later weer uit elkaar. Laatstgenoemde partij excuseert zich voor de overlast, handen worden geschud, en ik beloof thuis duidelijk te maken dat heel Nederland Fort Oranje mag komen fotograferen, mitsgaders in het bezit van schriftelijke toestemming van de commandant van de marinebasis van Sekondi. Waarvan acte.

We zijn trouwens ook hartelijk welkom in het kleine, schitterend gelegen dorp Butre. Ik zou zo gauw geen plaats weten waar je beter terecht kan voor vis, of het moest Elmina zijn, en verder ligt hier sinds 1656 het Fort Batenstein. Je komt er pas na een zware klim over de glibberige restanten van een trap, tientallen meters heuvelopwaarts. Van de zeven forten die ik zag is dit in zekere zin de mooiste, al ontbreken grote delen van de muren en het hele dak.

Tot 1956 zag je hier alleen maar oerwoud. Het verschil is te danken aan een met kapmessen bewapende legereenheid onder aanvoering van de Engelse archeoloog A.W. Lawrence, die overigens ook het boek over de forten schreef: Trade Castles and Forts of West Africa (1963). Nu zie je weer de IJsselklinkertjes waaruit een deel van Batenstein is opgetrokken. De redelijk ongehavende toegangspoort omkadert het uitzicht op de bruisende grens van de blauwe oceaan en het zwarte werelddeel. Er zou een bordje moeten hangen met de woorden: “Op 4 januari 1665 ging een flotille onder commando van admiraal De Ruyter in deze baai voor anker. Doel van de missie was herovering van drie WIC-forten die in 1664 waren ingenomen door de Engelsen. Twee daarvan ontruimden ze vrijwillig, de derde werd door De Ruyter geheel aan puin geschoten. Bij wijze van tuchtiging veroverde de vlootvoogd op 8 februari het Engelse fort Cormantin, dat sindsdien Fort Amsterdam heet. Vervolgens stak hij de oceaan over voor een vergeefse poging tot herovering van de stad Nieuw Amsterdam, die sinds 1664 New York heet.”

Batenstein heet ondertussen nog steeds Batenstein. Het dorpshoofd van Butre berekent ongeveer ƒ 1,30 entree voor de geruïneerde trekpleister, een bedrag dat hij blijkens het gastenboek een keer of zestig per jaar in ontvangst kan nemen. Daarmee worden in ieder geval geen onderhoudswerkzaamheden bekostigd. Als een visser uit het dorp een Europeaan de laatste treden van lange trap ziet afglibberen, wijst hij met een licht verwijtende blik naar boven: “Jullie moeten dat daar eens komen restaureren!”

Daarvoor bestaan geen plannen, en erg urgent is het ook niet. Na het vrijkappen liet Lawrence de restanten van Batenstein fixeren. Veel ernstiger is bijvoorbeeld de toestand van het fortje Dorothea, een oorspronkelijk Brandenburgse handelspost uit 1684, op een paar kilometer ten westen van Batenstein. Sinds 1810 wordt het niet meer gebruikt. Wortels drukken de oude stenen uiteen nu de verweerde schelpenmortel ze niet langer aaneen hecht. “Bij Dorothea moet snel iets gebeuren, anders is het te laat,” waarschuwt de Nederlandse fortenexpert Albert van Dantzig, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Accra en al 32 jaar woonachtig in Ghana. Het allereerste Nederlandse fort, Nassau, is al niet meer te redden.

Het hele fortensnoer langs de voormalige Goudkust is in 1979 door de Unesco tot world heritage monument uitgeroepen, maar verreweg de meeste aandacht gaat de laatste tijd naar Elmina, Cape Coast Castle en Coenraadsburg. De restauraties onder auspicieën van de 'Ghana Museums and Monuments Board' onder leiding van Lawrence in de jaren vijftig, en ondermeer van Van Dantzig in de jaren zestig en zeventig, waren veel gelijkmatiger over de forten verdeeld dan de huidige Afro-Amerikaanse aandacht. De familie van Louis Armstrong mag dan vastgesteld hebben dat hun root door de kerkers van Fort Amsterdam loopt - het gros van de nieuwe Ghana-gangers beperkt de tour tot Elmina en Cape Coast Castle, elf kilometer uit elkaar en per bus goed bereikbaar vanuit Accra.

Resultaat is ondermeer dat in die forten sinds een paar jaar vrijwel geen frivoliteit is toegestaan. Het gebruik van de binnenplaats van Cape Coast Castle als disco, in 1994 tijdens het Pan African Festival, leidde al tot felle protesten van de permanente zwarte Amerikaanse vertegenwoordigers; een paar maanden geleden moest op dezelfde plek een restaurant sluiten. Dat geeft weinig hoop voor het plan van Van Dantzig tot heringebruikname van de leegstaande eetzaal van Elmina, waar 331 jaar geleden Michiel de Ruyter zijn bestek liet kletteren.

Maar tal van nieuwe bestemmingen zijn denkbaar voor oude gebouwen waar nooit een slaaf zuchtte, zoals de achttiende en negentiende-eeuwse Engelse en Hollandse woonhuizen in het stadje Elmina. Mappen vol plannen en tekeningen liggen klaar bij Tetteh Associates in Accra, waar Michel van den Nieuwenhof (28) één van de geassocieerde architecten is. Als zodanig is hij nauw betrokken bij de Ghanees-Nederlandse Save Elmina Association, die de laatste tijd fondsen begint aan te trekken. Pilot project wordt waarschijnlijk het prachtige maar verzakte 'Dolphin House': nu een uitgeleefd kot, over een tijdje mogelijk een bibliotheek annex cultureel centrum. In een nog later stadium kan je na het dichtslaan van de boeken voor een aperitief naar het dak van het 'Bridge House', waar Van den Nieuwenhof een bar gedacht heeft. Aan het eind van een dagje Elmina wacht een verkwikkende nachtrust in guesthouse Fort Coenraadsburg - uiteraard met airconditioning.

Een goede gids voor Ghana is 'West Africa - a travel survival kit', uitg. Lonely Planet (1995). Meer informatie over de forten is verkrijgbaar bij het secretariaat Nederland van de 'Save Elmina Association', Willem de Zwijgerlaan 143 hs, 1056 JL, Amsterdam of bij het secretariaat Ghana: Michel van den Nieuwenhof, c/o S. Tetteh + Associates, P.O. Box C-1391, Cantonments, Accra.

    • Michiel Hegener