je oom naast je tante, Nikos?

Het Griekse Eiland in Amsterdam organiseert drie keer per jaar een twee-weekse cursus Nieuw-Grieks. In voor- en najaar op Korfoe, in de zomer op Kreta. Inl 020-6268509.

Omdat ik er genoeg van had om altijd alleen maar bête te kunnen knikken en lachen als iemand wat zei. Omdat de enige zinnetjes die ik zelf kon uitbrengen de luisteraars ongeveer zo in de oren moesten klinken: “Hieft u kamer? Voor twee?” of “Ja, hele moi Naxos. Wij fienden leuk.” Omdat die zogenaamde liefde van mij voor het land toch wel èrg aan de oppervlakte bleef als ik niets kon lezen, niets kon verstaan en alleen maar stom en gelukzalig over zee zat te staren. Omdat ik de poëzie van Kavafis en Seferis mooi vond, maar er maar niet dichtbij kon komen. Daarom moest het op een dag, nu ruim twee jaar geleden, eindelijk gaan gebeuren: Nieuw-Grieks leren.

Omdat ik er ineens haast mee had, zo gaat dat, men doet jarenlang niets maar zodra er beweging in komt moet het snel, besloot ik privéles te nemen en keihard te gaan werken. Zo gezegd zo gedaan. Vastberaden worstelde ik me door het leerboekje heen, waarin een Hollands meisje met haar Griekse vriend babbelt over zijn familie, de bruidsschat, dat ze graag wil trouwen en wat ze zoal lekker vindt aan Grieks eten. Waar ik ook moest wachten, in het postkantoor, in dokters wachtkamers, tijdens treinreizen, overal sloeg ik het boek open en oefende zinnen: Kostas is een arbeider uit Piraeus. Anna is verpleegster. Zij heeft nachtdienst. Zit je oom naast je tante, Nikos? De soep is lekker, moeder. Wilt u mij een koffie brengen alstublieft? Wat een hel is het leven van een verpleegster! Wanneer gaan we trouwen Kostas van me? Nog vele jaren!

Ik had visioenen van mijzelf, vlot babbelend op zonnige eilanden. Hoe ik alles voortaan moeiteloos zou regelen: kamers, koffers, schepen, bussen - nooit meer onzekerheid over vertrektijden en -plaatsen, nooit meer halfbegrepen aanwijzingen die maakten dat men met de koffer op de rug naar het hoogstgelegen punt van het dorp zwoegde om daar te ontdekken dat hier alleen onbewoonde huizen stonden (“Zou hij dan toch 'meteen links' gezegd hebben?”), nooit meer taxichauffeurs die dwingend iets vroegen waarop men lukraak ja antwoordde wat duizend drachme kostte. Overzicht. Helderheid. Begrip.

Misschien was een half jaar nog wat kort, om deze kersverse kennis al in praktijk te willen brengen. Nog nooit leek het Grieks zo onbegrijpelijk als tijdens de eerste vakantie waarin ik het geleerde aan de werkelijkheid zou toetsen. Echte Grieken spraken krankzinnig snel en gebruikten heel zelden woorden als 'verpleegster' of 'arbeider'. Een enkele keer hoorde ik tot mijn vreugde in een zin een bekende klank. Dat leverde meestal een wild gezoek in de hersens op (dat woord heb ik toch wel eens gehoord wat is het ook weer) waardoor de rest van wat er gezegd werd mijn oren niet eens meer bereikte. Niets begreep ik, niets kon ik zeggen. Deze taal was onleerbaar, zoveel was duidelijk.

“Wanhoop niet”, zei mijn lerares toen ik wanhopig terugkwam. Ik verstond haar niet, maar begreep wat ze wilde zeggen. Leerde het woord 'wanhopen'. Verdubbelde mijn ijver. Leerde “proeven, proberen, zonnebril, achterlaten, vergeten, roman, dichter, nadat, terwijl, pumps, vertalen, nog een fles retsina alstublieft”. Een paar maanden later ging ik weer, nu voor een twee-weekse cursus. Dat het ook anderen niet altijd meeviel, zag ik hier tot mijn opluchting aan de medeleerlingen, die zich net als ik heel traag door lachwekkend eenvoudige zinnen heenzwoegden: “Ik gaan, nee, ik gong, nee, ging gisteren not, eh.. niet naar mijne - mijn - grootmoeder eh..grootvader!” Natuurlijk was er ook een enkeling die er gewoon op los ratelde, maar, zo stelden wij slome hakkelaars met genoegen vast, zonder ooit één zin correct uit te voeren: “Oh wanneer interessant! Gaan u daaro elke jaar heentoe?” Toch praatte zij wel en had ze een contact met de plaatselijke bevolking waar wij met onze hoge grammaticale aspiraties alleen maar van konden dromen.

Geduld is dus iets moois voor iemand die Grieks wil leren. Inmiddels gaat het wel een beetje, al zijn die visioenen waarin alles moeiteloos verstaan wordt nog altijd geen werkelijkheid geworden, om nog maar niet te spreken van antwoorden. Nog steeds sleep ik woordenschriften achter me aan, prevel in de tram rijtjes werkwoorden, vergeet in het land zelf subiet alles wat ik net zo ijverig had geleerd en word afgesnauwd door taxichauffeurs omdat ik ze de weg in Athene niet vlot kan uitleggen. Bij de privéles is nog een conversatieclubje gekomen, de tweeweekse cursus is al twee keer herhaald, de eerste gedichten van Seferis zitten in het hoofd. “Ik ben zekers dat ik ze voor elkaar gaat krijgen.”

    • Marjoleine de Vos