In Liefde Bloeyende

Verbeelding

Vrager

Ik eisch nu rymen op Verbeelding.

Antwoorder

Zeg, is een ouwel niet een meelding?

Is pop en koot geen kindren speelding?

En is een bef, of das, geen keelding?

Een diamant, is 't geen juweelding?

Oorblazers tong, is 't geen verdeelding?

Is ook een vleyers tong geen streelding?

Is snaar en strykstok niet een veêlding?

En is musykgezang geen queelding?

Is knibbelstoffe geen krakeelding?

Is zot geklap u geen verveelding?

Is ooit 't gebroken een geheel ding?

Is diefgereedschap niet een steelding?

Maar is de galge niet een zeelding?

Zeg, is een hoer geen snood bordeelding?

En zyn gordynen geen tooneelding?

Is niet het brein een bekkeneelding?

Is ook een plaaster niet een heelding?

Een schildery, een tafereelding?

Is niet een bezemstok een steelding?

Een kruiddoos, is die geen kaneelding?

Een zilvre schaal, is 't geen kandeelding?

Is d'el geen laken- en fluweelding?

't Plakkaat der Staaten geen beveelding?

Men noem' een korde vry 't garneelding.

Een goude penning is een geel ding.

Het oog dat loens ziet, is een scheel ding.

Het paard heeft noodig een gareelding.

Het mes des slachters is een keelding.

De schraaper giert slechts naar een veel-ding.

Maar vergenoeging is een eêl ding.

Ik bid maar om 't bescheiden-deel-ding.

Zo vruchtbaar is myn rymverbeelding.

Carolus Tuinman (1659-1728)

Carolus Tuinman is de Paganini onder de rijmers. Dit virtuozenstukje is er maar een uit een hele reeks. Telkens is er een vrager die een woord opgeeft, en onmiddellijk barst de antwoorder in een cataract van rijmen los. Honderden bladzijden lang wordt in Tuinmans Rymlust dit kunststuk herhaald, 'alles tot betoog van de rymrykheid der Nederduitsche taal'. Het zijn nooit makkelijke rijmen die Tuinman zich opgeeft, want wie zou zó zeventien rijmen weten op stokvis, of negenendertig op straatsteen? Als Carolus Tuinman nu geleefd zou hebben had hij niet alleen een hoer een bordeelding en het brein een bekkeneelding genoemd, maar ook een Mof een Befehl-ist-Befehl-ding en een spierbal een Chippendale-ding.

Een rijmer is nog geen dichter, zo hebben we geleerd. Ook Tuinman ziet zijn rijmoefeningen als weinig meer dan een amusant spel, als een uitspanning naast zijn 'ernstiger dichtoefening'. Zijn enige excuus is dat het voor jongeren beter is zo nu en dan te rijmen 'dan zich bezig te houden met zuipen, brassen, gokken en kwaad spreken van anderen'. 't Houdt een mens van de straat, zouden we nu zeggen. Rijmen is een kunstje, en je kan het als een volleerd jongleur doen, zoals Tuinman, maar je kan ook stuntelen. Het is het stuntelig gerijmel dat vaak als argument wordt gebruikt voor de stelling dat rijmende poëzie niet zou deugen.

Dat er met het rijm iets mis is, het berust op een eigenaardige misvatting. 'Het enige waar een rijmloos vers prat op kan gaan is dat het niet rijmt - verder heeft het niets extra's,' heeft een dichter ooit gezegd. En: 'Alleen wie al schrijvend heeft ondervonden tot welke wondere contrasten, loop-the-loops, ontsnappingen, katapultworpen en haasje-overs het rijm kan leiden, alleen wie fysiek heeft meegemaakt hoe het je in een versnelling kan zetten of juist terugjagen naar je hok, weet hoe godgeklaagd het is minachtend over het rijm te doen.' Je ziet dichters die zogenaamd het rijm hebben afgeschaft vaak intens gebruik maken van binnenrijmen, halfrijmen, crypto-rijmen, repeterende klanksequenties en van een veelheid aan schijnbaar achteloze, maar zorgvuldig bestudeerde alliteraties - alleen van het eindrijm niet, want dat is een soort van zondebok geworden. Alle vermommingen van het rijm zijn in die kringen toegestaan, mits er geen eindrijm zichtbaar is. De experimentele en modernistische dichters van de jaren vijftig en zestig leken wat dat betreft op stiekeme alcoholici die anderen een drankverbod wilden opleggen.

De minachting van sommige dichters voor rijmende poëzie is je reinste schijnheiligheid.

Als poëzie kunst is dan is het een optelsom van technische wegversperringen die de hordenloop van de kunstenaar zo adembenemend mogelijk maakt. En dan kan zo nu en dan dat verdoemde eindrijm er ook wel bij. Een gedicht is geen verveelding.

    • Gerrit Komrij