Hommels marcheren in ganzepas over paadjes door Amazonewoud

Onderzoekers van de Universiteit van Arkansas hebben sporen in het regenwoud gevonden, die niet van mierenkolonies maar van hommels afkomstig zijn (Nature, 11 jan.). Bij de hommel Bombus transversalis houdt bijna tien procent van het hommelvolk zich bezig met het verzamelen van blaadjes en twijgen. Hiermee houden ze het uitgebreide nestbouwsel in stand dat de kolonie onderdak en veiligheid biedt. Maar waarom zou een hommel door het bos lopen als hij over twee paar prima vleugels beschikt?

Bombus transversalis is de enige tropische hommelsoort. Uit het onderzoek blijkt dat het Amazonevolk over gespecialiseerde 'bouwvakkers' beschikt, die materiaal aanslepen en daar een gemeenschappelijk nest van weven. Om bouwmaterialen te verzamelen lopen de hommels in een soort ganzepas achter elkaar aan, waarbij ze speciale paden over de bosbodem volgen, die zo'n 9 tot 10 centimeter breed en 1,5 tot 2 meter lang zijn. Deze paden zijn schoongeveegd op de bosbodem. Ze eindigen onder een dichte bladermat, waar de dieren zich vaak wel vijf minuten schuilhouden, daarna gaan ze lopend of vliegend met het nestmateriaal terug naar huis. Het voetspoor wordt door de dieren voortdurend bijgehouden. Toen de onderzoekers met opzet snippertjes blad op het pad lieten vallen, werden die door de eerstvolgende hommel opgeruimd.

Zes weken na de ontdekking van de hommelpaden kwamen de onderzoekers terug. Het 'hommelhuis' was inmiddels 10 centimeter hoger geworden. De twee bestaande paden waren een halve meter langer gemaakt en bovendien waren er drie nieuwe paadjes bijgekomen. Door de paden alle richtingen uit te leggen lopen de dieren elkaar zo min mogelijk in de weg. Ook breiden ze hiermee hun territorium uit. Volgens de Amerikaanse biologen is dit de derde maal dat de evolutie het 'spoorzoeken' uitvindt. Van mieren en termieten was deze gewoonte al bekend.