Heimwee naar het onbereikbare

JEREVAN. Als ik aan rampspoed denk, en aan het lot van de talloze brave burgers van de voormalige Sovjet-Unie, dan denk ik altijd aan Theresa. Theresa is een vriendin van een vriendin, een knappe grijze vrouw, een chique vrijgezel die jarenlang als econome voor een meubelfabriek werkte. Ze woonde in één van de uitgestrekte flatwijken rondom de Armeense hoofdstad, en op een avond gingen we bij haar op bezoek. Haar huis was tot in de puntjes verzorgd, schoon, opgeruimd, smaakvol, en vrijwel helemaal leeg. We kregen biscuitjes en thee, geleend van de buren.

Nadat de meubelfabriek in 1993 de produktie gestaakt had - sinds de onttakeling van het Sovjet-systeem waren er nauwelijks grondstoffen en al helemaal geen afnemers meer - was het in één klap gedaan met haar redelijk riante bestaan. Eerst had ze het hoofd boven water proberen te houden via een kostganger, maar die verdween afgelopen zomer. Sindsdien is ze langzamerhand haar spullen gaan verkopen meubels, boeken, servies, gordijnen, alles wat maar gemist kon worden. “Het dromen over die voorbije tijd, dat heb ik gehad”, zei ze. “Ik moet nu vechten.” Ze had zich voor de winter teruggetrokken in de keuken, in een soort muizeholletje, onhandig geïsoleerd met kranten en plakband, een eenzaam bed in de hoek, een elektrisch kookplaatje als verwarming en voor noodgevallen een petroleumkacheltje - maar voor petroleum had ze geen geld meer. En eigenlijk wilde ze het daar ook niet over hebben. “Blijf nog een poosje praten”, vroeg ze. “Vertel eens wat er in het theater bij jullie gebeurt. Wat hebben jullie het laatste gezien?”

Armenië leeft in een permanent heimwee naar het onbereikbare, en dat heimwee wordt gesymboliseerd door de berg Ararat. Groot en wit domineert 'vadertje Ararat' de stad Jerevan en het land daaromheen. Het is een buitengewoon aanwezige berg. Cognac, sigaretten, bars, alles heet hier Ararat, en toch kan er geen Armeen komen. De Ararat ligt namelijk net over de grens, op Turks grondgebied, en de overgang is nog altijd potdicht.

Zo is ook de verhouding met het Westen. Men ruikt aan het Westen, men proeft even van de oude welvaart, maar het is allemaal even onbereikbaar als de Ararat. Zo is in deze stad de laatste jaren een kleine cargo-cult ontstaan, en het centrum daarvan wordt gevormd door de club Down-Town en café Michael - in deze donkere dagen de meest trendy gelegenheden van Jerevan. Ze zijn wit en koud, de tapkast staat vol Martini en paars gekleurde Duitse dranken, er wordt dapper Heineken gedronken, er zijn meisjes en mannen in leren jasjes en hokjes waar je intiem kunt zitten, en hoe harder het vriest, hoe drukker het wordt, vertelt de uitbater. “De mensen houden hier elkaar warm.”

We maakten een tocht naar de bergen. We reden onder de Ararat langs, langs een weg vol militairen, tanks en smokkelauto's uit Iran. Wat verderop werd het eenzaam. We naderden een bergdorp door een landschap vol dorre bomen en verdroogde wijngaarden. Omdat er nauwelijks meer elektriciteit was, deden de pompen van het irrigatiesysteem het niet meer, en zelfs de dorpsfontein stond sinds een paar jaar droog. “We hadden tweeduizend hectare bevloeid land hier”, vertelde de burgemeester, tevens de grootste boer en ex-partijsecretaris van het dorp. “Toen alles nog normaal was produceerden we vierduizend ton druiven per jaar, twee jaar geleden hadden we nog twaalf ton, een jaar geleden zes ton, en de laatste oogst was achthonderd kilo. Maar er kwam wel waanzinnig goede wijn uit.”

We moesten mee om te proeven. Onder een afdak op het erf was een zestal vrouwen bezig met broodbakken, bij een primitieve, half-ondergrondse oven, zoals men dat sinds mensenheugenis in deze streken deed. “Natuurlijk vallen we nu weer terug op oude methodes,” zei de boer. “En natuurlijk vallen we weer op onszelf terug. Zo houden we het vol. Als we geholpen worden ben ik blij. Maar als we niet geholpen worden, ben ik ook blij.” Hij schonk trots de glazen vol en we riepen elkaar woorden van genegenheid en begrip toe. “Op ons!” “Op het water!” “Op de elektriciteit!” “Op de Amerikaanse pompen!”

De volgende dag liepen we door een grote dorpsschool, een soort middenschool voor kinderen tot een jaar of vijftien. De betonnen gangen waren ijskoud, veel ruiten waren gebroken, de leerlingen zaten in de banken met hun jassen aan en dreunden Franse woordjes. Aan de wand van de lokalen hingen portretten van strenge mannen, en overal stond een kleine oliekachel in het midden, met in de tank het strikte dagrantsoen per klas: drie liter petroleum. De school werd voornamelijk geleid door vrouwen, onderwijzeressen in hart en nieren, het soort dat nooit de leerlingen in de steek zou laten. De meesten hadden kapotte handen. Ze verdienden zo'n twintig dollar per maand, en na schooltijd werkten ze allemaal op het land om niet van de honger om te komen. Maar tegenover ons hadden ze het alleen maar over nieuwe lesmethoden, ze hadden van Maria Montessori gehoord, en Engels, zou dat niet beter zijn dan Frans? Nee, ze hadden dit jaar geen voedselhulp gehad. Nee, er was niemand doodgegaan van de honger, maar ze werden wel steeds sneller ziek, de kinderen. We werden toegezongen door een schoolklas: “Alouette, gentil alouette”, driestemmig, met winterjassen en bungelende beentjes.

Op een middag reden we naar het Sevanmeer, het immense bergmeer dat het land bijna net zo bepaalt als de berg Ararat, volgens Colin Thubron “een enorm groot, starend oog van glas, verzadigd en kleurloos: het oog van de aarde zelf”. Door de wat onhandig aangelegde Sovjet-watercentrales en irrigatiesystemen was het meer als een badkuip leeggelopen, het waterpeil was zeker een meter of vier gezakt, en het Sevan-eiland was nu met een landtong vast aan de rest van de wereld verbonden.

We gingen eten in het enige restaurant dat open was. In de enorme eetzaal was stralend gedekt voor zeker zeventig mensen, maar wij waren de enige gasten. De rest van het hotel werd bewoond door enkele honderden vluchtelingen die moesten leven van de wind. Van buiten konden we hun kamers zien, vol stapelbedden, kinderen en eeuwig wasgoed. De obers vertelden dat er per week gemiddeld zeven eters in hun restaurant kwamen, terwijl ze onze tafel volstapelden met vlees, vis, spuitwijn en wat ze verder maar in hun kelders hadden.

    • Geert Mak