Geen handjeklap in het IPCC

Een klimaatsverandering als gevolg van een ongebreidelde inzet van fossiele brandstoffen werd al in de vorige eeuw voorspeld, maar de eerste tekenen van onbehagen stammen pas uit de jaren vijftig. In 1954 stelde Hans Suess vast dat het gehalte C-14 (in CO2) van de lucht al vele decennia afnam. Hij concludeerde terecht dat dit lag aan de verbranding van fossiele brandstoffen, omdat die CO2 produceren dat weinig C-14 bevat, en in 1957 stelde hij in het tijdschrift Tellus 'The question of increase of atmospheric CO2' aan de orde.

De mensheid neemt onbewust 'een geofysisch experiment op grote schaal', schreef hij. Een jaar of tien nadat David Keeling in het kader van het internationale geofysisch jaar in 1958 op Hawai (Mauna Loa) was begonnen aan zeer secure CO2-metingen stond vast dat in die CO2-concentraties een onwrikbare trend optrad en in 1970 vroeg de Zweed Bert Bolin, de huidige voorzitter van het IPCC, in de september-special van Scientific American, aandacht voor de gevolgen. Veel opschudding bracht zijn academische notitie niet teweeg. Pas in 1978 stelde Scientific American het probleem minder impliciet aan de orde in het artikel 'The carbon dioxide question'. Op dat moment was er al bijna constante aandacht voor klimaatverandering in de gespecialiseerde vakbladen en zelfs al in Science en Nature. Het Amerikaanse ministerie van energie en de National Research Council richtten speciale commissies op die in 1982 en 1983 rapporteerden. Toen halverwege de jaren tachtig in de VS enkele ongekend hete zomers de graanoogst bedreigden vestigde zich bij het brede publiek - en de media - de overtuiging dat de voorspelde klimaatverandering al was ingetreden.

In 1988 werd onder auspiciën van de VN-organisaties voor meteorologie en milieu, de WMO en de UNEP, het Intergovernmental Panel on Climate Change opgericht. Het IPCC bestaat uit grote groepen wetenschappers die op gezette tijden gepubliceerd onderzoek aan broeikasproblemen evalueren. Het panel kent drie werkgroepen. Werkgroep I analyseert klimatologisch en fysisch-chemisch onderzoek en doet in zijn 'scientific assessment' ook een voorzichtige uitspraak over te verwachten temperatuurstijging, zeespiegelrijzing en dergelijke. Werkgroep II analyseert het onderzoek naar de de gevolgen van klimaatsverandering op ecosystemen, gezondheid en de sociaal-economische sector ('impact assessment') en werkgroep III, pas eind 1992 opgericht, probeert aan te geven hoe aan de mogelijke veranderingen het hoofd is te bieden ('respons strategies').

Tot op heden is het werk van werkgroep I het interessantst geweest. Het eerste rapport dat de groep in 1990 publiceerde bewees voor een breed publiek wat onderzoekers al lang wisten: de aarde wèrd warmer, de zeespiegel rees, gletsjers werden korter en de Sahara droger en veel wees erop dat dit nog lang zo zou doorgaan. Maar of het hier een grilligheid van de natuur betrof of moest worden toegeschreven aan de stijgende concentraties van broeikasgassen als kooldioxyde, methaan en lachgas werd uitdrukkelijk in het midden gelaten.

Het lijvige rapport dat nu op punt van verschijnen staat is de tweede 'full assessment' van werkgroep I. Het onderging al tegen het einde van de zomer zijn laatste kritische toetsing maar kon nog niet worden openbaar gemaakt omdat het IPCC er een gewoonte van heeft gemaakt afzonderlijke samenvattingen van het materiaal te produceren (terwijl toch de diverse hoofdstukken van de rapporten óók al van leesbare samenvattingen zijn voorzien). Per werkgroep één summary voor beleidsmakers en één voor executives.

In november vergaderde werkgroep I in Madrid over deze samenvattingen. Omdat de twee andere werkgroepen deze keer hun rapporten met bijbehorende samenvattingen tegelijk klaar hadden leek het een leuk idee om de drie stellen samenvattingen nog eens opnieuw samen te vatten in een 'synthese-rapport'. Over dat stuk van 20 pagina's is vlak voor Kerstmis een weeklang in Rome vergaderd. De getrapte wijze van werken verhindert dat een helder moment aanbreekt waarop het nieuws uit de laatste evaluaties naar buiten kan worden gebracht. Bovendien ontnemen de min of meer ad hoc opgestelde tussen-evaluaties voor de conferenties in Rio de Janeiro (1992) en Berlijn (maart 1995) de media het zicht op werkelijke nieuwe uitkomsten van de analyses. Daar kwam dit jaar bij dat conclusies uit de laatste 'full assessment' al in de loop van de zomer via Internet uitlekten. Animo om überhaupt nog over de studies te berichten ontbrak.

Pijnlijk is dat het gedoe met de samenvattingen ook nog eens de indruk wekt dat de IPCC-rapporten in samenspraak met politici worden opgesteld. Want hoe wonderlijk het ook klinken mag: op de te hanteren formuleringen en getallen in de diverse summaries (maar niet in de onderliggende rapporten) hebben ook beleidsmakers invloed. Aan de genoemde vergaderingen namen regerings-delegaties deel waarvan sommige (uit Koeweit, Saoedie-Arabië en Venezuela) onverbloemde pogingen deden de ongunstige rol van CO2 en het belang van energiebesparing te bagatelliseren. In VN-kringen ziet men de tijd- en geldverslindende summary-kermis als de prijs die betaald moet worden voor het verwerven van consensus en betrokkenheid.

Omdat vergaderingen als die in Madrid en Rome niet toegankelijk zijn voor journalisten, kan makkelijk het beeld van handjeklap en 'science-by-consensus' ontstaan. Zeker als non-gouvernementele organisaties zoals Greenpeace en het Wereldnatuurfonds, die de vergaderingen wel mogen bijwonen - en in de praktijk de nieuwsverspreiding voor hun rekening nemen -, een verkeerde voorstelling van zaken geven.