Eén goede docent is 100 boeken waard

Voor informatie en programma's: Kunsthistorisch Centrum, 020-6265490. Glerum: 070-3560165. Vrije Academie voor Kunsthistorisch Onderwijs: 020-6655050. Nicole Ringers-Convert: 020-4963215. LOI: 071-5451888. Voor Volksuniversiteiten en overige cursussen is de Gouden Gids een nuttige bron.

Het is soms een beetje lawaaiïg in het collegezaaltje van het Amsterdams Historisch Museum, deze donderdagmiddag. Maar dat ligt niet aan de cursisten, het ligt aan de voetstappen op de parketvloer boven ons hoofd en aan de trams die buiten regelmatig langsdenderen. Binnen luisteren zestien vrouwen en drie mannen aandachtig naar drs. F. Welkenhuysen. Hij moet in krap tweeëneeenhalf uur de voornaamste grafische technieken uiteenzetten, en dat lukt hem wonderwel: van houtsnede tot zeefdruk krijgen wij een goede indruk van de procédés waarmee in het verleden prenten zijn gemaakt, en hoe je de verschillen kunt herkennen.

De bijeenkomst is deel van de cursus Antiek, Warenkennis en Markt van het Kunsthistorisch Centrum; directrice Anita van Mil noemt dit terloops de 'prestigecursus' van het KHC. Kunsthistorici, museummensen en antiquairs geven hier een overzicht van de geschiedenis van meubels, juwelen, zilver enzovoort. Er zijn twee series van twaalf bijeenkomsten, waarvoor bij elkaar ƒ 670,- cursusgeld wordt betaald. Niet veel voor zo'n vracht aan kennis.

Kunsthistorische cursussen zijn het ei van Columbus. Veel mensen hebben belangstelling voor het onderwerp, terwijl Nederland overloopt van de volleerde kunsthistorici die hun vakkennis aan de straatstenen niet kwijt kunnen. Het Kunsthistorisch Centrum, opgericht in 1978, is dan ook lang niet de enige organisatie die zulke cursussen aanbiedt. Het is wel een grote; jaarlijks nemen ruim tweeduizend mensen deel aan de activiteiten die het hele terrein van de kunsthistorie beslaan, van het oude Egypte tot heden. Het niveau is, zo verklaren staf en deelnemers eensgezind, het hoogste dat te vinden is buiten de universiteiten.

De opzet van de grote KHC-cursus lijkt nogal op die van veilinghuis Glerum, dat sinds kort een cursus Kunst & Antiek aanbiedt in Den Haag en Amsterdam. Alleen wordt hier, door J.P. Glerum zelf, vooraf nog een blok 'stijlgeschiedenis' gegeven, waarna twee series van tien colleges door specialisten volgen. De belangstelling is groot, ondanks de prijs van meer dan ƒ 3000,- voor de complete leergang; misschien dat de attractie van een 'stageperiode' van een week in Glerums veilinghuis daarbij een rol speelt.

In bibliotheken, kerken en culturele centra in het hele land worden cursussen in kunst en antiek gegeven. Een snelgroeiende aanbieder is de Vrije Academie voor Kunsthistorisch Onderwijs, actief in 28 plaatsen van Alkmaar tot Zeist. Net als het KHC organiseert de Academie naast cursussen ook lezingen, excursies en reizen. En dan zijn er natuurlijk de Volksuniversteiten, waar men behalve aan bloemschikken, Thais koken of metselen ook aan kunst en kunsthistorie kan doen.

Ook ondernemende eenlingen zijn op dit terrein actief. Nicole Ringers-Convert, schilderes in Ouderkerk a/d Amstel, is zo iemand. Als Française van geboorte begon zij voor leden van de vereniging van Fransen in Nederland een cursus te geven. “Vooral de echtgenotes van mannen die hier voor hun werk waren komen wonen verlangden naar bezigheden, het had zeker ook een sociale functie,” zegt ze. Als onderwerp koos zij de kunst van de vroege Renaissance. Maar het bleef er niet bij; Nederlandse leerlingen volgden. En in de provinciestad Zutphen geeft Nicole Convert nu alweer voor het zesde jaar een cursus waarin twee vliegen in één klap worden geslagen, namelijk Franse conversatie èn een aspect van de kunstgeschiedenis. Het thema dit jaar: de menselijke figuur in het schilderij. Net als op een werkcollege krijgen de deelnemers ook opdrachten voor eigen discours.

Wie het aanbod aan kunsthistorische cursussen bekijkt krijgt de indruk van een razendsnel groeiende sector. Een blik in de Gouden Gids bevestigt dat beeld. Ook een woordvoerster van de LOI, een instelling voor schriftelijk onderwijs, vertelt dat de belangstelling voor kunst en antiek groeit. Hier blijft het trouwens wel een marginaal verschijnsel, want wie schriftelijk gaat studeren volgt in negen van de tien gevallen een beroepsopleiding in vakken als marketing of elektrotechniek.

Dat in de sfeer van kunst en antiek de groepscursus geliefder is dan de 'thuisstudie' is geen wonder. Een grote attractie blijft immers, naast de lesstof, het contact. Niet alleen contact met medecursisten (hoe serieuzer de cursus, des te onbelangrijker is dat) en ook niet dat met de docent (die wel, als hij levendig kan vertellen, honderd boeken waard is). Maar essentieel is ook het hands on-contact met de kunstvoorwerpen zelf. Wie bijvoorbeeld donderdag in dat zaaltje in het Amsterdams Historisch Museum zat, heeft nu prenten uit zes eeuwen in zijn eigen handen gehad, van een vijftiende-eeuws stuk perkament tot een ets van Willem Witsen. Hij heeft ze van voor en van achter kunnen bekijken, kunnen betasten en beruiken. En die ervaring neemt niemand hem meer af.

Bij de meeste instellingen beginnen in januari of februari nieuwe activiteiten. Snel handelen is wel geboden.