Een aarden vat manna

De middeleeuwse dichter Konstandin was voor Sovjetgeleerden de dageraad van de Armeense seculiere poëzie. Een nieuwe studie bewijst hun ongelijk.

Voor de armenologie in Nederland zijn het heuglijke tijden. Vorige week dinsdag promoveerde Theo Maarten van Lint aan de Rijksuniversiteit Leiden cum laude op een Armeens onderwerp - een noviteit in academisch Nederland - en drie dagen later hield zijn promotor prof.dr. J.J.S. Weitenberg, sinds oktober 1994 bekleder van de nieuwe (bijzondere) leerstoel Armeense studies, zijn inaugurele rede.

De Armeniërs, die door hun lokatie in de Kaukasus en Oost-Anatolië steeds op de grens van twee andere culturen hebben gewoond, kennen een rijke en droeve geschiedenis. Bloei en onderdrukking wisselden elkaar af, met als dieptepunt de deportaties en massaslachtingen van 1915. Aan het begin van de vierde eeuw waren de Armeniërs het eerste volk dat zich tot het christendom bekeerde. Om het kersteningsproces te bespoedigen introduceerde bischop Mesrop Mashtots in 406 het karakteristieke, hoekige Armeense schrift, zodat een eigen bijbelvertaling mogelijk werd. Ook andere religieuze werken, liturgie en kerkelijke hymnen werden in die taal gesteld.

Toen dit Oud-Armeens in de loop van de eeuwen steeds verhevener werd, en alleen geestelijken er zich nog van bedienden, ontwikkelde zich in de spreektaal, het Middel-Armeens, een gevarieerde literatuur. Daarin neemt het werk van de 13de-eeuwse dichter Konstandin uit Erznka (het huidige Erzincan in Oost-Turkije) een belangrijke plaats in. Van deze Konstandin, waarschijnlijk een monnik, heeft Van Lint een 'intrinsieke' klassiek-filologische studie gemaakt die breekt met het perspectief waarin deze dichter tot nu toe was geplaatst.

Van Lint: 'Voor Sovjet-armenologen, niet zelden ideologisch gemotiveerd, was Konstandins poëzie de dageraad van de secularisering binnen de Armeense lyriek. Dat is een onhoudbare stelling, zo heb ik aangetoond. Konstandin is hun boegbeeld. Hij geldt als een van de eersten die het thema van de roos en de nachtegaal hebben gebruikt, in christelijke zin - de roos als Christus, de nachtegaal als de gelovige - maar in de materialistische visie toch vooral om de aardse natuur en liefde te bezingen. Maar wie Konstandin leest in het licht van zijn tijd - en dat is niet eerder gedaan - ziet een zuiver religieus dichter die zich volledig met ziel, geest en lichaam inzet voor de imitatio Christi, de navolging van Christus.'

Van Lints belangrijkste bronnenmateriaal is een manuscript dat de kopiïst Amir Polin in het jaar 1336, waarschijnlijk kort na het overlijden van Konstandin, in Tabriz maakte en dat 22 van de 27 overgeleverde gedichten bevat. Het wordt bewaard in Venetië, in de Biblotheek der Mekhitaristen. Van Lint: 'Ik heb het twee keer bekeken. Weliswaar is er een teksteditie uit 1905, maar de criteria die destijds zijn aangelegd zijn wetenschappelijk niet langer acceptabel. Het handschrift, zo bleek me al snel, is voor de toenmalige eigenaar een spirituele leidraad geweest, een geestelijk vademecum in pocketformaat.'

In zijn interpretatie van manuscripten met Konstandins gedichten heeft Van Lint gekeken naar de Armeense volkspoëzie, de kerkelijke dichtkunst, een theoretische tekst over kunst en handschriftilluminaties en fresco's. Ook besteedt hij aandacht aan de verschillende religieuze stelsels die de Armeense cultuur hebben gevormd, zoals het Zoroastrisme en de naburige Griekse en Syrische christelijke tradities. De conclusie is dat Konstandin zich als een goddelijk geïnspireerd dichter presenteerde, 'een aarden vat voor het manna dat door God in hem gegoten is'.

Academisch onderdak

Van Lint (1957) is het toonbeeld van de toegewijde alfa die alles voor zijn wetenschap opzij zet en, ondanks zijn eruditie, maar moet hopen dat hij ooit academisch onderdak zal vinden. Sinds hij in 1975 in Leiden Slavistiek ging studeren, beheersen talen zijn leven. Eerst studeerde hij af in het Russisch, met als specialisatie leven en werk van de moderne Russische dichter Tarkovskij (tweede taal: Tsjechisch; bijvak: Duits). Vervolgens zette hij zich aan de Indo-europese vergelijkende taalwetenschap, waar Weitenberg hem klassiek Armeens en modern West-Armeens leerde. Ook daarin studeerde Van Lint af, ditmaal op mogelijke metrische vormen in Keltische poëzie, in het bijzonder het Oud-Iers en het Welsh. In overleg met Weitenberg werd een voorstel tot een promotieonderzoek ingediend. Op 7 december 1989, de tweede dag van een verblijf van een jaar in Jerevan, kwam uit Leiden het telegram met de boodschap dat zijn aanvraag was goedgekeurd.

De liefde voor talen, in het bijzonder poëzie, is er bij Van Lint altijd geweest. 'Op het gymnasium zag ik al dat ik me met talen wilde bezighouden. Dat kwam door mijn leraar Grieks. Die las thuis voor en zette op school ook weleens iets Litouws of Oud-IJslands op het bord. De rode draad in al mijn activiteiten is poëzie. Dat vind ik de mooiste, pregnantste verschijningsvorm van taal die er is. In poëzie wordt taal tot het uiterste gespannen, je kunt emotie als het ware erin bevriezen. De mogelijkheden van taal worden er volledig in uitgebuit.'

In 1983, tijdens een verblijf in Leningrad, ontmoette Van Lint joodse vrienden die hem op de hoogte brachten van de Armeense cultuur. 'Ze lieten me boeken zien met Armeense architectuur en met handschriftilluminaties', blikt hij terug. 'Ik vond de iconografie buitengewoon interessant, een christelijke traditie in de beeldtaal van het Midden-Oosten. In Jerevan, waar ik zat om Oost-Armeens te leren spreken - en waar ik bij vrienden en op de markt vermeed Russisch te spreken om niet in de situatie te raken van de Amerikaan die bij ons Nederlands wil leren - was mijn tweede woning zo'n beetje het Matenadaran, het Instituut voor Oude Handschriften. Niet alleen liggen daar manuscripten met Konstandins poëzie, ik heb er met vele armenologen kennis gemaakt, wat me het nodige aan krediet heeft opgeleverd. Ook heb ik tijdens mijn verblijven in Jerevan een Armeense bibliotheek kunnen opbouwen. Leiden bezit veel, maar is lang niet compleet.'

Op het moment verblijft Van Lint in Jeruzalem als 'visiting fellow' aan de Hebrew University. Hij bekijkt er handschriften in het Armeense patriarchaat en werkt met de hoogleraar Armeens, M.E. Stone, aan een publikatie over de Adam-literatuur in het Armeens. Zijn proefschrift werkt hij om tot een boek en ook bestaan er plannen Konstandins poëzie in Nederlandse vertaling uit te brengen. In de Association Internationale des Etudes Arméniennes, de organisatie die de bijzondere leerstoel in Leiden instelde, is Van Lint actief als editor van de Newsletter.

Nu het met Van Lint goed is afgelopen, kan Weitenberg, die wereldwijd als een van de belanrijkste taalkundigen op het gebied van het Armeens geldt, des te meer energie vrijmaken voor de begeleiding van een volgend armenoloog in spe. De nieuwe leerstoel, zo is intussen gebleken, werkt daarbij als een magneet.

Vertaling van de tekst op het voorblad van het tweede deel van Sargis Pidzaks gezangenboek uit 1932: Wie hartstochtelijk verlangt een zoon te zijn van de

opstanding van het licht

Laat hem vragen om de liefde die zelf is opgestaan

in de morgen;

Laat hem liefde met liefde vermeerderen, en vol liefde

gaan naar het huis van de liefde

En wie die liefde volgt zal door de liefde de morgen

bereiken.

    • Dirk van Delft